10 MEI 1940

VRIJDAG 10 MEI   MAASMECHELEN ~ BEVERLO 

Rond halfvijf word ik wakker. De ruiten daveren. Eer wordt volop geschoten. We zitten rechtop in ons bed en vragen ons af wat er gaande is. De surveillant komt haastig uit zijn chambrette en kijkt zenuwachtig rond. Een vliegtuig scheert over de huizen naast de normaalschool en laat een paar honderd meter verder bommen vallen. We krijgen de tijd niet om ons af te vragen wat dit allemaal te betekenen heeft. De deur van de slaapzaal wordt opengegooid en een student roept: ‘Rap uw broek aan en de kelder in!’

We scharrelen naar onze kleren, spoeden ons naar beneden en wachten vol spanning op wat komen gaat. De leraars weten ook niet wat er gebeurt. Wanneer het gevaar geweken is, spoeden we ons naar boven om ons te wassen en aan te kleden. Daarna, alsof het de gewoonste dag van de week is, gaan we naar de kapel om mis te horen. Veel jongens schuiven aan bij de biechtstoel. Op het ogenblik dat we op de communiebank neerknielen, komt er weer een eskader vliegtuigen overgevlogen. Het is een lawaai dat horen en zien vergaat.

In de refter wordt omzeggens niet gegeten. We krijgen onze ‘rantsoeneringskaart’ terug. Duitsland zou in oorlog zijn met Nederland. Directeur Ghysen komt de refter binnen en zegt dat we naar huis mogen, maar we moeten te voet zien thuis te geraken. Op tram of trein hoeven we niet te rekenen, die rijden niet. We krijgen twee boterhammen mee voor onderweg. Vlug worden pakken gemaakt. We vullen elk een valies, onze instrumenten en de rest bergen we in ons kleerkastje. Omstreeks kwart over acht vertrekken we.

 

TE VOET NAAR HUIS

Onze lijdensweg begint: 50 km te voet en de pakken zijn zo zwaar. We zijn met tien man: Louis Thielemans, Julien Agten en Louis Swerts uit Beringen-Mijn, Marcel Vints en Robert Smolders uit Stal, René en Marcel Lenaerts, Julien en ik uit Beverlo.

We nemen de weg naar As. Het is kalm geworden. Soms komt er een vliegtuig over, hoog in de lucht. Belgische soldaten trekken in colonnes voorbij. Een Nederlandse officier stapt uit zijn auto en begint een gesprek met een groepje Belgische militairen. Als we in As aankomen heb ik al drie blaren aan m’n voeten. Dat belooft. Er zijn nog veertig kilometer te gaan eer we thuis zijn. Alsof de weg nog niet lang genoeg is, slaan we in Genk ook nog een verkeerde straat in. ‘s Middags komen we in Waterschei aan. Daar horen we dat ook België in oorlog is.

Een bakker ziet ons voorbijtrekken en roept ons naar binnen. We kunnen even uitrusten en mogen gratis eten. Hij wil ons ook aan een auto helpen, maar dat lukt niet. Enkele jongens zullen ons met de fiets tot Winterslag vergezellen. Nu we onze pakken niet hoeven te dragen valt het marcheren heel wat lichter.

Buiten Winterslag vragen we een glas water aan een paar mensen die naast hun huis staan te praten. Onmiddellijk zijn een paar meisjes bereid om met de fiets een eind met ons mee te gaan. Het is verschrikkelijk warm en aan de eenzame betonbaan door de heide naar Zonhoven schijnt geen einde te komen. We zijn bijna in Zonhoven. Een mijnwerker die met zijn motorfiets op weg is naar Beringen-Mijn stopt en vraagt of iemand mee wil. Julien Agten, de grootste sukkelaar van de groep, is de gelukkige. Intussen hebben de meisjes die met hun fiets waren meegestapt, rechtsomkeer gemaakt. Robert Verjans, een klasgenoot uit Zonhoven die intussen thuisgekomen is, gaat een eind met ons mee.

Het is een prachtige lentedag maar van dat eindeloos marcheren krijgen we zo’n dorst. Aan het laatste huis voor we door de bossen van Vogelsanck trekken, kloppen we aan. Wat kan een glas water deugd doen.

Een Duits vliegtuig scheert rakelings over de bomen. IJlings zoeken we een schuilplaats. We hebben geluk: een vrachtauto komt aangereden en de man is bereid om ons mee te nemen tot Beringen. Na enkele honderden meters moet hij echter terugkeren: aan het kasteel van Vogelsanck is de weg over de Laambeek opgeblazen.

In Heusden, even voor de helling naar ‘Suska’, is een boer zijn and aan ‘t beploegen alsof er geen vuiltje aan de lucht is. We zoeken een schuilplaats wanneer voor de zoveelste keer een twintigtal vliegtuigen komen overgevlogen.

In Beringen staan haast alle huizen leeg. We geven de hoop op dat iemand ons nog zal tegenkomen. Voorbij Beringen-centrum lopen Belgische soldaten in ganzenpas rechts van de weg. Ze zullen achter het Albertkanaal postvatten. Ook duizenden vluchtelingen met zwaarbeladen fietsen spoeden zich om in Beringen over de brug te geraken. Dan zijn ze veilig, menen ze. De schrik voor Duitse wreedheden zoals in 1914 zit er bij de ouderen diep in. Wij zijn de enigen die in tegenovergestelde richting gaan. Dat is om de moed op te geven.

Wij beginnen ons ongerust te maken, misschien zijn ze thuis ook al vertrokken. Over rusten wordt niet meer gesproken en doodop komen we om kwart voor acht in Beverlo aan.

  

EINDELIJK THUIS

Wanneer we onze ouders terugzien is alle leed vergeten. Een uur geleden is langs de radio omgeroepen dat jongens en mannen van zestien tot vijfendertig jaar zich zo gauw mogelijk naar Eeklo moeten begeven. Aan het gemeentehuis is die oproep van de regering aangeplakt.

Ik ben zestien en Julien is achttien, wij horen er dus bij. We zijn van plan om nog diezelfde avond te vertrekken. In de achterkeuken is de grote zinken bassin gereedgezet. We nemen een bad en daarna worden de stukgelopen voeten verzorgd. Ma heeft een pan met spek en eieren klaargemaakt. Om wat uit te rusten leggen we ons voor een paar uren op bed.

Om halfelf doet een hevige ontploffing ons wakker schrikken. Op de weg naar Oostham hebben soldaten de brug over de Grote Beek opgeblazen. Om halftwaalf nemen we afscheid. Een pijnlijk ogenblik. Niemand weet wat de toekomst ons zal brengen en of we mekaar nog zullen weerzien.

In Beverlo zijn reeds vele gezinnen vertrokken. Ook onze ouders zijn van plan om rond middernacht weg te gaan, samen met nonkel Nand en zijn gezin en met mijn grootvader.