HET LOT VAN DE WERFRESERVE

    

HOE IS HET DE DUIZENDEN JONGEREN VAN DE WERFRESERVE VERGAAN?

In de ochtend van 10 mei worden de jongens opgeroepen die bij een eventuele inval in de onmiddellijk bedreigde regio’s wonen: rekruten uit de provincies Limburg, Luxemburg, Namen en Luik.

Door de razendsnelle opmars van de Duitsers moet de planning al van bij het begin bijgestuurd worden. Op 13 mei komen de mannen van Brabant en Antwerpen en op 14 mei die van de overblijvende provincies aan de beurt.

 Samen met zowat 50.000 dienstplichtigen die uitstel of vrijstelling van legerdienst hebben gekregen, worden er een 300.000-tal jongeren tussen 16 en 35 jaar opgeroepen. Met honderdduizenden vluchtelingen stromen ze westwaarts, naar de opvangplaatsen Binche en Eeklo, Ieper, Roeselare, Poperinge, Kortrijk, Menen… Maar nergens is er voor hen iets voorzien. Er zijn geen richtlijnen en geen verzamelplaatsen, uitgerust voor de opvang van zo’n massa jongeren. En het nodige proviand ontbreekt.

Later zullen deze reservisten CRAB ’s genoemd worden, naar de Franstalige benaming van de verzamelplaatsen: ‘Les Centres de Recrutement de l’Armée Belge.

NAAR FRANKRIJK

Op 14 mei beslist de overheid om de reservisten naar Frankrijk over te brengen, ‘waar ze onmiddellijk onderdak en werk zullen vinden’. Over deze beslissing is met de Fransen echter geen contact opgenomen en dus is ook hier niets voorzien. De jongenmannen die niet per trein maar te voet of per fiets naar Frankrijk trekken, krijgen aan de Franse grens van rijkswachters en douaniers te horen dat ze zich op eigen middelen naar Rouen moeten begeven, een 200-tal kilometer verderop. Ongeveer 150.000 Belgische jongens passeren de Franse grens, velen zonder duidelijke bestemming, de meesten zonder proviand of geld.

In de Tallendier kazerne van Rouen stromen duizenden jongens toe. Belgische rijkswachters en militairen maken er de dienst uit, maar ook zij weten met al die jongemannen geen raad. Sinds 17 mei is de oude luitenant-generaal Carlos de Selliers de Moranville de nieuwe bevelhebber van de rekruten. 

ONDERKOMEN IN ZUID-FRANKRIJK

Als gevolg van de verslechtering van de militaire toestand wordt generaal de Selliers de Moranville aangeraden om de jongens van de werfreserve naar de Midi over te brengen. Voorzien van wat brood en sardines of pâté worden zowat 120.000 reservisten op de trein gezet. Onder begeleiding van Belgische militairen vertrekken eveneens een 1200 jongens op de fiets. Toulouse is het nieuwe opvangcentrum. Op 21 mei komen de eerste konvooien in Toulouse aan. In Nîmes vinden 35.000 jongens een onderkomen en in Béziers worden 20.000 jongens verdeeld over vijftig kampen.

Louis Vrankx en nog een paar jongens uit Oostham slapen drie maanden in de paardenstallen van een burcht in Aubais bij Nîmes. Er heerst een militair regime. Belgische legerkapiteins hebben er de leiding over een 300 jongens. Ze moeten er hout kappen en wacht lopen. Het kampeten, voornamelijk vlees, erwten en rijst, wordt vanuit Nîmes met de camion naar Aubais gebracht. Op 17 augustus zijn ze weer thuis.

        ( H. Jamar Oostham tijdens de oorlog 40-45)

Eind mei logeren in Toulouse 27.000 jongens van de werfreserve. Ze slapen in scholen, openbare gebouwen, in de wielerbaan en het sportpaleis. Verder worden ze verspreid over een 250-tal kantonnementen en kampen in minder bevolkte regio’s, maar niet alle oversten zijn met het lot van deze mannen begaan.

Ongeveer 25.000 jongens hebben bij burgers een onderkomen gevonden. Ze maken kennis met de Franse keuken en vinden werk in de landbouw of de fabriek. Sommigen ontvangen als vluchteling een uitkering van 10 FF per dag. Hun kameraden in de geïmproviseerde kantonnementen en kampen zijn er erger aan toe: het logement laat dikwijls te wensen over, de jongens vervelen zich, er is voedseltekort en de hygiënische toestand is op meerdere plaatsen abominabel. Niet overal is de leiding aan Belgische militairen toevertrouwd, maar maken Franse militairen of Noord-Afrikaanse infanteristen de dienst uit.

Het kamp van Agde dat vroeger dienst heeft gedaan als interneringskamp voor republikeinen die tijdens de Spaanse burgeroorlog over de grens uitweken, heeft een trieste reputatie. Gelegen bij een moerassig gebied, zitten 4.000 jongeren achter prikkeldraad. Er heerst een ijzeren tucht.

Waar scouts vanaf eind mei de toestemming krijgen om het kampleven te organiseren, wordt gezorgd voor orde, hygiëne, voedsel en ontspanning.

Begin juni stelt men, op verzoek van de Franse regering, met 30.800 man werkbataljons samen. Zij zullen onder meer aan het front loopgrachten graven.Verschillende eenheden komen midden gevechten en bombardementen terecht.

Op de dag dat het Belgisch leger capituleert, belooft minister Pierlot op de Franse radio dat de Belgen met onder meer de rekruteringsreserve een nieuw leger zullen vormen om aan de zijde van de geallieerden verder te strijden. Maar al vlug beseffen de ministers dat de mogelijkheden om deze jongeren op te leiden en te bewapenen, erg beperkt zijn.

Wanneer op 25 juni de Fransen de wapens neerleggen, worden de ministers geconfronteerd met een nieuw probleem. Kunnen zij naar Londen uitwijken en de Belgen in Frankrijk aan hun lot overlaten? Wegens gebrek aan transportmiddelen is het ondenkbaar om militairen en reservisten naar Congo of Brittannië over te brengen. Er bestaat voor deze jongens geen andere keuze dan terug te keren naar België.

Na de capitulatie van Frankrijk beschouwen de Duitsers deze jongeren als burgerlijke vluchtelingen. Bij de demarcatielijn hoeven ze niet te vrezen dat ze als krijgsgevangenen opgepakt zullen worden.

In zijn brief van 20 augustus 1940 schrijft luitenant-generaal de Selliers, overste van de CRABs, aan de Minister van Binnenlandse Zaken:                            Objet : Fin du rapatriement des C.R.A.B.

Le dernier train des C.R.A.B. a quitté la 17e Région, le Mardi 20 Août 1940...   Il a été formé à ce jour 51 trains emportant en Belgique environ 60.000 jeunes gens et comprenant avant tout tous les jeunes gens de 16 à 35 ans qui se trouvaient à ce jour dans les centres de recrutement (C.R.A.B.)

 

TRIEST RESULTAAT 

Het verloop van de gebeurtenissen zorgde voor het volgende resultaat:

223 jongeren stierven in België of Noord-Frankrijk vóór de Belgische capitulatie.

109 vonden de dood, in dienst van het Franse leger.

60 jongens overleden in de Franse kampen en kantonnementen als gevolg van een totaal gebrek aan hygiëne, complete ondervoeding, voedselvergiftiging, slecht verzorgde verwondingen en ziekten.

3 jongeren keerden niet terug uit Duitse gevangenschap of internering in Zwitserland.

338 reservisten liepen TBC op, veroorzaakt door ondervoeding of andere ontberingen.