Jongens in Frankrijk
![]() |
De zeventienjarige Jules Heyligen uit Koersel was een van de duizenden jongeren die in het zuiden van Frankrijk gekantonneerd werden. Dit is zijn verhaal. (interview 11.02.90): |
De dag dat de oorlog is uitgebroken ben ik ‘s morgens nog naar ‘t college gereden. In Beringen, aan de brug over den ijzerweg, stond een soldaat en die zei: ‘Weet ge niet dat het oorlog is? Hebt ge thuis gene radio? Maar rap terug naar huis!’
Ik was zo blij dat ik niet naar school moest gaan.
Toen hingen die affiches uit over jongens van 16 tot 35 jaar. Met ne man of tien zijn we vertrokken, met de fiets tot Diest en daar den trein op. We zijn diezelfde dag nog in Gent geraakt. Ik had niet veel bij: een valies met wat ondergoed en een deken. Van thuis had ik 300 frank meegekregen.
‘s Anderendaags zijn we met den tram naar Eeklo gereden en daar hebben we n’n dag bij ne boer gelogeerd. We kregen er eten, niet fameus zulle, wat brood en spek, half gekookt of zo iets. Dan zijn we te voet verder getrokken tot Bellem en Wingene. Daar hebben we n’n tram gepakt naar Roeselare en verder tot Halewijn, over de Franse grens.
Er was geen begeleiding bij die jong mannen. Er werd wel gezegd: ge moet daar en daar naartoe gaan, maar verder was er niks geregeld. ‘t Was ne warboel.
Met den trein zijn we dan verder gereden naar Le Tréport. We zouden er inschepen voor Engeland. Daar zag ik voor het eerst de zee. Het schip waarmee we moesten vertrekken is gebombardeerd geworden en toen hebben ze ons weer op den trein gezet. We zijn naar Abbéville gereden en verder naar Rouen. Voor we in Rouen de kazerne binnengingen, kregen we van het Rode Kruis twee pistolets met kaas of iets ertussen. We hadden nog honger maar we mochten de kazerne niet meer uit.
‘s Nachts zijn ze ons komen halen en hebben ze ons op n’n trein naar het zuiden gezet. Dat waren wagons met een stuk of vijf compartimenten voor ne man of acht. Die waren gescheiden van elkaar, ge kondt niet van het een naar het ander en daar waren ook geen wc’s op.
Ik was chef-wagon. Ik kende zo wat Frans en er waren maar weinigen in die tijd die wat Frans kenden. In elke statie moest ik voor de hele wagon eten gaan halen. Ik nam ne kameraad mee met een deken. Het waren gewoonlijk Senegalezen van het Franse leger die ons bevoorraadden. Altijd brood en sardienen, dat mankeerde nooit.
![]() |
We zijn van Bordeaux naar Narbonne gereden en zo op Vauvert af. Vauvert ligt tussen Nîmes en de Middellandse Zee. We werden ontvangen door een onthaalfamilie, de familie Beséron. We mochten er vier dagen gaan eten en slapen, tot ons kantonnement gereed was. Dat waren welhebbende mensen. We kregen er machtig goed eten. Den eersten dag waren dat zeker zes gerechten. Het was niet veel maar goed. Na n’n dag of drie gingen we met 50 man naar een leegstaand huis, dat was ons kan-tonnement.
|
Maison Parna-von heette het, een versleten kot. In dat huis waren vijf, zes kamers. Er lagen zo’n tien man per kamer. Ne strozak hadden we niet. Op wat stro hadden we een deken gelegd en daar sliepen we op, met ons kleren aan. Zo logeerden we.
Daar waren er bij die vlooien hadden, maar ik heb er nooit last van gehad. Er waren geen wc’s in dat huis. We moesten altijd de druiven in. Daar lagen geen planken, er was niks voorzien. Ge moest wel ne tak meepakken voor de muggen, anders hadt ge een kont zó dik!
We waren met tien man van Koersel, de anderen waren ook practisch allemaal Limburgers. Van Neeroeteren en die kanten. De stemming in onze groep was goed. Er is bij ons nooit een vechtpartij geweest. Op een ander kantonnement zaten Walen. Die hadden ze apart gehouden.
Op dat moment hadden we nog gene chef. Er is wel eens ne kapitein van ‘t leger komen kijken, maar ge zaagt die mannen zelden. Na een paar dagen moesten we dril gaan doen. Daar stond ne sergeant-majoor voor. We kregen een kakihemd en een kakibroek. Dril in de hete zon, dat was niet om te lachen, maar de dag dat België kapituleerde was ‘t gedaan. Toen waren de Fransen een beetje embêtant, maar eigenlijk hebben we er geen klagen van gehad.
Daar lagen we dan. We moesten zelf ons eten gereedmaken. We kregen één brood per dag voor drie man. En koffie en suiker en wat vet. En linzen. Ik ben nog kok geweest. Ik stond ‘s morgens om vier uur op om de koffie gereed te krijgen. Dat huis had een plat dak in beton. Daar hadden we een paar stenen op gelegd en dan ne zinken bassin erbovenop gezet. Die werd vol water gekapt en dan moest ge beginnen te stoken om tegen zeven uur koffie te hebben. De koffie werd er zo maar ingekapt en de suiker ook. Dat was voor 50 man. Ons brood kregen we daags ervoren, maar dat hadden de meesten dan al op.
Toen ik kok was moesten we hout gaan halen in ne bos op ne kilometer of drie van het dorp. Daar gingen we bomen afdoen om te kunnen stoken. We waren gewoonlijk met ne man of zes. Daar waren gasten bij, dat waren kastaars!* Die trokken zomaar ne boomgaard in en die begonnen n’n olijfboom af te zagen. De boer kwam af, maar die mannen gingen erachter met de bijl. Dat waren godverdoeme vieze mannen! Die bomen afgedaan en ermee naar het kantonnement.
|
Ik had er niet aan meegeholpen. Ik zei: ‘Dat doe ik niet.’ We waren nog maar pas terug of de gendarmen kwamen er al aan. Toen kregen we acht dagen dwangarbeid. We moesten alle dagen de bos in ombomen af te doen. Ik was er bij en Fil Put van Koersel, de broer van Lea en Olga, maar nu ging er ne wacht mee met het geweer. Ik zei tegen Fil: ‘Hier blijf ik niet.’ ‘Ik ook niet’, zei Fil. |
![]() |
Er liep een kanaal langs dat bos en er was een brug kort bij. Wij lopen, langs de twee kanten, zodat de wacht ons zeker niet zou hebben. Maar die wacht schoot, godverdoeme. Met hagel! Een stuk uit Fil zijn broek. We geraakten terug bijeen, maar toen durfden we niet meer naar ons kantonnement gaan. We trokken de hele dag rond en in een klein huisje dat leeg stond, hebben we de nacht doorgebracht. De volgende dag zijn we in n’n draai op ne camion gesprongen die stro of hooi vervoerde en hebben we ons laten varen tot in Lunel, twaalf kilometer van Vauvert. Toen hadden we nog wat geld. We konden wat eten kopen en we sliepen buiten. Na n’n dag of acht zijn we stillekes terug naar ons kantonnement gegaan. En we hebben er niks meer van gehoord.
Toen verklaarde Italië den oorlog aan Frankrijk. Er werden vrijwilligers gevraagd om ‘s nachts uit te kijken naar Italiaanse parachutisten. We moesten op ne watertoren gaan zitten. Daar kondt ge bovenop rondwandelen. Wapens kregen we niet. We hadden ne knuppel gesneden uit ne vijgeboom en zo stonden we daar de hele nacht te kijken.
Er lagen Fransen van de luchtmacht in de buurt. Die hadden eten genoeg. Tegen dat het etenstijd was, gingen we daar naartoe. Als die mannen geëten hadden, riep de kok: ‘Allé, kom maar door.’
Dan vlogen wij naar die veldkeuken. Wie het eerste was, scharrelde in de soepketel, zo maar met z’n handen, en die had een stuk vlees. Want vlees hadden we nog niet gezien. Niks, niks, niks. Fruit was er genoeg. Krieken, vijgen, dat stond daar in het wild. En er waren dikke perziken en abrikozen. Echt honger hebben we niet geleden. In Vauvert was een kleine markt en ‘s morgens ging ik dan rond met een korfke. Aan elke barak kreeg ik wat, hier wortelkes, daar wat anders. Ik had altijd iets te eten.
En als we echt honger hadden, trokken we het veld in. De boeren waren in de druiven aan ‘t werken. Dat waren velden zo ver ge zien kondt. Die boeren reden gewoonlijk met hunne fiets naar de wijngaard. Ze hadden hunne fiets met hun brood en een fles wijn ergens onder ne struik liggen. En dan was dat weg. Als ge honger hebt doet ge van alles.
Ik wist ergens in ‘t dorp één stukske patatten staan. Daar zijn Fil en ik eens op ne nacht naartoe geweest. Ne zak over onze kop getrokken, want die muggen, dat was iets ellendigs. Zo maar blindelings gedabd tot we een paar patatten hadden.
Wat we zoal deden? We trokken het water in, zwemmen. Gevist heb ik ook. We speelden kaart en ‘s avonds lagen we op het trottoir. Daar was
niks. Ja, één café. Ik mocht niet bij de boeren gaan werken. Ge moest achttien jaar zijn. Die boeren stonden vroeg op. Om vier uur zaten ze al in het veld. Tot tien uur, dan naar huis en was ‘t gedaan voor de hele dag. In dat dorp was er praktisch niks dan wijnbouw. Gene maïs. Ik heb maar één stukske patatten gezien. Daar waren toen al druiven rijp. Die hebben we genoeg geëten. En vijgen. Een fles wijn kostte anderhalve frank.
‘s Avonds mocht ik bij een weduwe - geen jong meer zulle - naar de radio gaan luisteren, naar de Franse post. Terwijl wij naar de radio zaten te luisteren, ging zij eten. Ze had daar een wijnfles staan en die vulde ze aan de kraan van het vaatje. Maar die fles was zo vettig, die werd nooit afgewassen. En als ze geëten had, ging ze eens met een korsteke brood door haar telloor en dan zette ze die weg, tot s’ anderendaags. Niet te geloven.
Jong volk zaagt ge daar niet, dat waren bijna allemaal ouw mensen. Ik heb daar maar twee jong maskes gezien Twee nichtjes naar het schijnt, een van ne bakker en een van een crèmerie.
We kregen drie frank soldij per dag, maar dat heeft n’n tijd geduurd eer we geld gekregen hebben. Toen was het geld van thuis al lang op. Met dat soldijgeld konden we juist een brood kopen. En toen werd daar het brood gerantsoeneerd. Zo nu en dan kreegt ge er een. Maar een beetje verder woonde een bakkerin en die zei tegen mij: ‘Ge moet ‘s morgens komen, rond een uur of zes, zodat niemand het ziet, dan klopt ge bezijden op dat vensterke en krijgt ge een brood. En dat deed ik.
Daar zijn er met de fiets naar huis gereden. Genoeg mannen die ne fiets gepikt hebben om rap thuis te kunnen geraken. Onze groep is met de trein vertrokken. We hadden allemaal schrik toen we aan de demarcatielijn kwamen. We hielden ons koest maar ze kwamen ons niet controleren of niks. We zijn langs Charleroi binnengekomen. We stopten over de grens. Daar stonden godverdekke arme mensen langs den trein. Die kwamen bedelen voor eten, toen al. Ik heb die een stuk chocolade gegeven en ne pot confituur die ik nog bij had.
Midden augustus zijn we thuisgekomen. Zwart verbrand van de zon, haren niet gesneden, geen valies meer bij, niks meer. Alleen ne zak met wat prullen in.
|
Voor de oorlog was ik nergens geweest. Voor mij was het een groot avontuur. |


