ONS MA IS ZIEK

  

ZATERDAG 22 JUNI

"...Bij onze thuiskomst is er veel vreugde nu we weer samen zijn. Maar toch is alles niet goed. Ons ma is ziek. Ze hadden naar Toulouse geschreven om mij te doen afkomen, maar ik heb niets ontvangen. Ook is ons Elise naar de dokter geweest, maar die is nog niet gekomen."

 

ZONDAG 23 JUNI

"Thuis geslapen maar met een zieke is het toch niet hetzelfde. Alleman gaat naar de mis, alleen ons ma niet die ziek te bed ligt. Na de mis komt meneer pastoor haar een bezoek brengen. Hij trekt maar een raar gezicht en zegt dat het zeer erg is.

Na de middag gaat ons Elise nog eens naar de dokter en eindelijk, om vier uur, komt hij. Die is niet op zijn gemak. Hij zegt dat het een zeer gevaarlijke en besmettelijke ziekte is. Wij ook hebben er maar een zwart gedacht in.

Aanstonds moet Elise naar het dorp, naar de dokter en de apotheker. Direct wordt er wat ingenomen en gesmeerd, en nu maar afwachten. Morgen komt de dokter terug.

Het ergste voor de zieke is dat ze te veel denkt aan onze jongens waar we nog geen nieuws van hebben. Zij ook begint de moed te verliezen en met reden, want haar aangezicht is een monster gelijk.

De anderen zijn op wandel en ik blijf alleen bij haar. ‘t Zijn droevige en lange uren. Als het toch moet gebeuren, zo ver van huis, zonder al de kinderen. Maar Sint-Antonius heeft ons altijd geholpen, hij zal het nog wel doen."

 

MAANDAG 24 JUNI

"Na deze langste nacht, zal ik maar zeggen, ‘s morgens regen om de ellende nog te vergroten. Ons Elise gaat alweer naar de dokter voor een bewijs om ingemaakte melk te bekomen voor ons ma. Andere melk is er niet te krijgen. Nu smeren, wat drinken en afwachten.

De onderwijzeressen van ‘t dorp zijn ook afgekomen om ons ma te bezoeken, maar ze kennen ons ma niet meer. Ge moet niet vragen hoe haar gezicht er uitziet. Haar toestand is niet verergerd, ook niet verbeterd. Ons Yvonne zou ook eens gaarne komen zien, maar dat mag alleen van verre. ‘t Is droevig.

 

      Madame Lala en Elise, haar twee dochters en Lisette (1984)    

Terwijl het maar voort regent en ik boven bij het bed zit, vertelt men dat Frankrijk met Duitsland wapenstilstand gesloten heeft. En dat wij binnenkort naar huis mogen keren, maar daarmee betert ons ma nog niet. Alleman naar huis en wij kunnen niet meegaan. Ik troost haar zoveel mogelijk en zeg: als we deze zomer kunnen afzwaaien, is het ook goed."

 

DINSDAG 25 JUNI

"Weer hebben we een nacht met de zieke doorgebracht, terwijl het buiten plassend regent. Alle bedden hebben we herschoven, zo hard regende het binnen. Dat is de afwisseling met die stikkende hitte. Om negen uur zijn er drie missen voor een soldaat van Bournac die gesneuveld is. Onze Nand zijn mannen, Elise en Yvonne en Peteren zijn er naartoe. Intussen is de dokter gekomen. Hij geeft ons hoop en zegt dat ons ma veel beter is, al zie ik dat niet.

Na de mis komt ook de Belgische witte pater een bezoek brengen. Ja, wel twee uur is hij boven bij de zieke. Onderwijl kan ik even uitblazen. Hij belooft te bidden voor een spoedige genezing. Hij zegt dat ook Frankrijk met Italië een wapenstilstand heeft gesloten. Wat zal de toekomst ons nog brengen eer wij allen weer samen in Beverlo rond de keukentafel zitten?

‘Als het nog maar komt’, zegt ons ma. ‘Vandaag wordt onze Julien achttien jaar. Waar zal hij zitten? En onze Jean, misschien met zijn gat door zijn broek?’

‘Zij zullen hunne plan wel trekken’, zeg ik. ‘Het zal niet lang meer duren eer wij allen terug thuis zijn.’

Ons ma begint weer wat te praten. Dat geeft goede hoop." 

Wondroos - Erysipelas   

Wondroos is een besmettelijke ziekte die verwekt wordt door streptokokken en langs een huidwondje het lichaam binnendringt. De etter van de wondjes is zeer besmettelijk.

Aanvankelijk heeft de zieke slechts hoofdpijn en lichte koorts. Daarna volgen koude rillingen met hoge koorts. Na enkele uren worden de huidafwijkingen zichtbaar, vooral in het gelaat. Na enkele dagen is de huidontsteking maximaal. De gezwollen huid is dan vuurrood en glanzend.

 WOENSDAG 26 JUNI

"Deze nacht heeft ze goed geslapen. Ze is veel beter. Ze staat op en gaat de kamer al eens rond.

Ook het weer is veel verbeterd. Nand en ik gaan werken bij de boer. Zagen, vijlen en het gereedschap in orde brengen. ‘t Is toch al een heel ander leven al weten we van de oorlog niets. ‘s Middags eten we bij de boer. Ja, van twaalf tot drie uur, dat heet eten, en ‘t is nog lekker ook. Met wijn en sterke drank er bij.

Intussen ga ik eens naar huis om te zien of alles in orde is. Ons Elise is in het dorp bij De Schutter geweest. Die wist nog niets van de zieke. Van de oorlog weet hij ook niets, maar hij heeft goede moed en denkt deze zomer nog naar België te kunnen teruggaan.

Na de middag wordt er nog wat gewerkt tot rond zes uur. Dan is het tijd om te gaan wandelen. Ik natuurlijk nog niet. Maar ons ma betert dat ge het ziet. De anderen gaan wandelen, want schoon is hier de natuur en gezond de lucht tegen de avond. Berg op, berg af om ten slotte bij de hofstede van onze boer aan te komen. Daar wordt wat gepraat, want die weet wat meer dan wij. Hij rijdt tweemaal per dag naar ‘t dorp om inlichtingen en dan vertelt hij wat hij zoal gehoord heeft." 

 

 Elise: Dat is bij ons ma aan ene kant begonnen met roodachtige plekken in haar gezicht en dat is tamelijk vlug gegaan. Ze kreeg hoge koorts. Toen ze er roodgezwollen uitzag en haar ogen klein werden, ben ik naar de dokter gegaan.

Op dat moment was dat al blauwrood aan ‘t worden. Ik heb ons ma verzorgd tot onze pa van Toulouse is teruggekomen. Ons Yvonne moest op een andere kamer slapen. Ze zeiden dat het een besmettelijke ziekte was.

Eerst was ik naar de dokter geweest. Hij kwam niet meer naar de refugés. Toen heb ik Madame Lala erbij gehaald en Madame Eche. Die zijn samen naar ons ma komen kijken.

Ze zegden: ‘We komen niet verder, we gaan direct naar de dokter.’

De dokter kwam en hij zag direct dat het serieus was.

Bij de apotheker in Montaigu moest ik pillen gaan halen, die zaten in zo’n klein rond doosje. Ook zalf die op ons ma haar gezicht moest gesmeerd worden. Ge moest er zorg voor dragen dat die korst niet kapot ging, die korst mocht niet breken. De neus en de lippen waren nog zichtbaar en de oogleden ook. Een zwarte korst was dat. Gruwelijk om te zien.

De dokter had gezegd: het zou kunnen dat ge het nog eens terug krijgt, neem dan die pillen.

 

Ma: In Frankrijk ben ik ferm ziek geweest. Dat was ‘de roos’ en dat was helemaal uitgelopen, alleen mijn neus en mijne mond niet.

De dokter wilde eerst niet komen. Een paar dagen tevoren was hij naar vluchtelingen moeten gaan. Toen hij ‘s anderendaags terugging, zaten ze te drinken, te lachen en kaart te spelen. Daarmee stond hij nu niet direct gereed om te komen.

Jean: Dokter Rajade is een klein, dik, gebrild manneke. Hij woont in het grootste en schoonste huis van Montaigu, een tweehonderd meter van Hotel du Midi, langs de weg naar Bournac.

Elise: Die dokter had een citroën, zo’n laag model. Hij was de enige die nog met de auto reed.

 

Ma: Ons Elise was gegaan en daarna de boer en de zoon. En toen had de juffrouw gezegd, die was fel voor ons Elise: ‘Als de dokter nu nog niet naar uw mama komt, dan zal ik eens naar de dokter gaan.’

En toen de dokter kwam, was die zo verschrikt. Hij zei dat ik niks meer mocht eten. Hij schreef op wat ons Elise moest gaan halen, melk in dozen en pillen en zalf. Hij zei: als het erger wordt, kom me dan direct roepen. En ‘s anderendaags is hij teruggekomen.

De juffrouwen waren me komen bezoeken en ze zeiden tegen Elise: ‘Ik herken uw mama niet meer.’

 De geburen die verder woonden en die ik nog nooit gezien had, kwamen mij kussens brengen met pluimen, geplukt van levende ganzen, om ‘t warm te hebben.

De witte pater is mij ook komen bezoeken. Die heeft twee uren bij mij gezeten. Ik dacht: wat komt die doen? Ben ik zo slecht, dat die me komt biechten?

Ik lag boven in bed aan de kerkhofkant. Ik dacht dat ik niet meer naar huis zou kunnen. Hier ga ik zeker het kerkhof op, dacht ik.

‘t Was ne goeie dokter. Mijn gezicht moest ingesmeerd worden. Er mocht niks, niks, niks open komen, geen barstje, want dan zou ik een lelijk gezicht krijgen. Dat zei hij speciaal: er mag geen enkel openingske komen.

Toen ik ingesmeerd was, was dat één en al zwart, uitgezonderd mijn neus en mijn mond. Die waren gaaf gebleven, maar de rest was één korst van bijna ne pink dik. ‘t Was in mijn gezicht uitgelopen, maar niet in m’n haren of in mijne nek.

En op ne keer ging het eraf. Op één plaats heb ik daarna een rose randje, een fijn kringske gekregen. Daar was waarschijnlijk toch lucht in gekomen.

Ik was genezen, ik had schoon vel gekregen en ik mocht gaan wandelen. Ik had n’n hoed opgezet en ik was niet ver gegaan. Maar ‘s anderendaags was dat vel allemaal weg. Van de zon. Toen kreeg ik ander vel.

Ga nu maar naar de coiffeuse, zei onze pa, om uw haar te laten kleuren, dan zijt ge in orde om naar huis te gaan.

Ik reed per velo bergaf naar Montaigu om mijn haar te laten doen. Dat was een coiffeuse! ‘t Was heel schoon en die kleur hield eens zo lang als in België.