DE TERUGKEER 

DE DAG NA DE OVERGAVE

WOENSDAG 29 MEI: SNAASKERKE ~ HANSBEKE    

We staan vroeg op, de boerin heeft voor boterhammen gezorgd. Om halfzes vertrekken we. Onze pakken kunnen we een eind op een kar leggen, dat maakt het marcheren heel wat makkelijker. We stappen goed door. Onderweg krijgen we ergens brood en koffie.

Stilaan begint het tempo te slabakken, met een slakkengangetje gaat het verder. Af en toe moeten we naar de overkant van de gracht om de weg vrij te maken voor jonge kerels met dreunende laarzen die vol zelfvertrouwen zingend over de baan marcheren.

                Auf der Heide blüht ein kleines Blümelein, und das heisst ... Erika!

Overmoedig en zegezeker. Het is onze eerste kennismaking met het ‘Herrenvolk’. De Duitsers behandelen de vluchtelingen vriendelijk. Hier en daar delen ze brood uit. Militairen met lege legerauto nemen zelfs burgers mee die naar huis weerkeren. We eten in Torhout, kort bij de kerk. Onderweg vindt Fik een rugzak met nog allerlei gerief in. Het gasmasker zal hij als een relikwie bewaren. In Wingene zoeken we de familie Creytens op. Deze vriendelijke mensen zorgen voor eten, maar ditmaal blijven we er niet overnachten. Omstreeks vijf uur gaan we verder. We kunnen met een auto mee tot Bellem. Daar is de brug over het kanaal van Gent naar Brugge vernield en moeten we een andere weg nemen. Na een mars van ongeveer vijftig kilometer komen we in Hansbeke aan, waar we ons voor de nacht in een school neerleggen.

 

DONDERDAG 30 MEI: HANSBEKE ~ OVERMERE

Er is geen water om ons te wassen, we zijn vlug klaar om op te stappen. We nemen de weg naar Gent. Onderweg moeten we over de brokstukken van een vernielde brug klauteren. We passeren stukgeschoten huizen en vertrapte korenvelden. Langs de weg liggen kisten munitie, weggeworpen geweren en ransels. Hier en daar is een houten kruis in de grond geplant. Het graf van een Duits soldaat.

We hopen in Drongen een tram te kunnen nemen, maar dat lukt niet. Tenslotte komen we in Overmere aan, waar Pol een familielid opzoekt. We krijgen er logies en eten, kunnen er zelfs een bad nemen. 

 

VRIJDAG 31 MEI: OVERMERE ~ RETIE                                                        

Wij zijn al vroeg klaarwakker en zetten ons aan tafel, het gezin slaapt nog. Te Zele mogen we met een Duitse legerauto mee die naar Antwerpen rijdt. Een vriendelijke soldaat geeft ons een zuur brood, maar daar heeft niemand trek in. We laten het ergens op een vensterbank achter.

In Dendermonde kan de auto niet over de Schelde. We rijden via Sint-Niklaas naar Antwerpen. Op de linkeroever van de Schelde wachten duizenden Belgische krijgs-gevangenen om per schip of per trein naar Duitsland gevoerd te worden.

De legerauto rijdt naar een pontonbrug over de Schelde en zet ons in de grotendeels verlaten stad af. We gaan op zoek naar een bushalte. Om zes uur kunnen we met een autobus naar Turnhout. Verder kunnen we de tram nemen richting Oud-Turnhout tot het gehucht Zwaneven. Te voet trachten we nog in Retie te geraken. Opgedane ervaringen doen ons bij een bakker aanbellen. Bij bakker Aarts mogen we blijven slapen. Ondanks het kroostrijke gezin - de gastvrije man heeft acht of negen kinderen - worden voor ons vijven bedden vrijgemaakt. En niemand gaat met een hongerige maag van tafel. 

 

ZATERDAG 1 JULI: RETIE ~ BEVERLO 

Om kwart voor zes is Fik klaarwakker. Gehaast en blij, want we zijn bijna thuis, wil hij ons komen wekken, maar hij stapt de verkeerde kamer binnen en komt bij de dochters terecht. Algemene hilariteit en plezier natuurlijk. Na het ontbijt vertrekken we. Koffie en boterhammen krijgen we mee voor onderweg.

Na Dessel passeren we Mol en Olmen. Een man die ons in Oostham voorbijrijdt, zal in Beverlo onze familie verwittigen dat we op komst zijn. Enkele kilometers voor ons dorp, komen Maria Verpoorten en René Aerts uit onze buurt per fiets aangereden.

Weer thuis. Bij onze thuiskomst is er niemand om ons te verwelkomen. De familie is nog niet teruggekeerd en niemand heeft ze onderweg gezien. Wat een teleurstelling.

Onze woning heeft de voorbije weken bezoek gehad. We missen de Olympia schrijfmachine, maar veel meer blijkt er niet gestolen te zijn. Familieleden en buren die vroeger zijn teruggekeerd, hebben een oogje in ‘t zeil gehouden.

Zo eindigde onze lange mars van bijna 700 km. We liepen zowat 325 km te voet en reden 165 km op de fiets. Verder ging de tocht per tram en trein, kar en bus, en legerauto.

Pastoor Van der Straeten heeft in het ‘Verslagenboek van het Schoolcomité’ over de eerste oorlogsdagen in Beverlo het volgende genoteerd: De eerste Duitschers verschenen in het dorp zondagmorgen (12 mei) rond vier uur. Daar vele inwoners, ongeveer 90 %, gevlucht waren, stonden veel huizen leeg, die dan ook dadelijk geplunderd werden. Eerst door de soldaten, later ook door eerloze burgers, voornamelijk vreemden uit de tuinwijk. 

 

DAGEN WEKEN MAANDEN VERSTRIJKEN

JUNI  JULI  AUGUSTUS  SEPTEMBER

Vluchtelingen keren terug, maar over onze familie weet niemand iets te vertellen. We proberen onze plan te trekken. Familie en buren zijn vriendelijk en helpen ons waar het nodig is. Onze buurman, Victor Cruysberghs die tijdens de mobilisatie werd opgeroepen, is waarschijnlijk krijgsgevangen gemaakt en naar Duitsland gevoerd. Zijn vrouw Stefanie ontfermt zich over ons, zij zorgt voor het middageten. ‘s Avonds zitten we regelmatig aan tafel over de spoorweg in Korspel bij Fikske Gielen. 

  

Op maandag 3 juni worden in de meeste scholen de lessen hervat. Ook wij vertrekken voor de laatste weken van het schooljaar naar Mechelen-aan-de-Maas. Nonkel Jef van Koersel betaalt het kostgeld.

Maar tijdens de grote vakantie moet er gewerkt worden. Bij onderwijzer Butenaers in Koersel nagelen we de plankenvloer. Een hele karwei. Ditmaal krijgen we geen blaren aan de voeten maar aan onze handen.

Wanneer we hem vertellen dat we onze fiets in Roeselare hebben achtergelaten, stelt hij voor om bij Baeten in Stal een tandem te huren, dan kunnen we onze fiets gaan halen. Julien schrijft een brief naar de vrienden van Pol Lenaerts in Wingene. Zij brengen de fiets van Roeselare naar Wingene en met de tandem rijden we naar de familie Creytens.

De 170 km lange rit verloopt goed, een lekke band in de buurt van Aalst niet meegerekend. ‘s Anderendaags, op de terugweg, neem ik de fiets en Julien de tandem. Enkele kilometers buiten Wingene rijd ik tegen het achterwiel van de tandem en tuimel hals over kop in de gracht. Gelukkig komen fiets en stommeling er zonder brokstukken van af.

Alleen een tandem trappen lijkt ook niet mee te vallen. Julien wordt er zo moe van dat hij ergens onderweg languit op de grasberm naast de weg gaat liggen. ‘s Avonds komen we goed en wel met onze ‘Peugeot’  in Beverlo aan. Eens was onze fiets de eerste prijs van een wielerwedstrijd voor amateurs die door onze neef Theofiel Put gewonnen werd.

Dit jaar is er een overvloed aan fruit, maar bij onze thuiskomst van de normaalschool zijn de lekkere kersen geplukt. Dieven die het op onze appelen gemunt hebben, gaan we de gelegenheid niet geven om onze boomgaard te plunderen. Daarom verhuizen we van onze slaapkamer aan de straatkant, naar de achterzijde. Dan zullen we de indringers tenminste kunnen horen en wegjagen.

 

EINDELIJK NIEUWS

Na weken bang afwachten krijgen we een brief van Valentine, de vrouw van Jules Goovaerts uit Evere. Ze schrijft dat onze familie in het zuiden van Frankrijk zit. Met hun twaalven - beide gezinnen en grootvader - hebben ze een onderkomen gevonden in Bournac, een gehucht van Montaigue-de-Quercy. Dat heeft ze vernomen van haar man die bij de Civiele Luchtbescherming is en met de oudste zoon in Toulouse is terechtgekomen. Via dezelfde weg zullen ook onze ouders vernemen dat wij gezond en wel thuis zijn.