MONTAIGU DE QUERCY               

 

WOENSDAG 22 MEI

"Wat is het goed ontwaken als men doodvermoeid op ne strozak gelegen heeft. Al is het in een vluchtelingenbed,  ‘t is toch een bed. Om tien uur moeten we naar de post om geld om te wisselen. Als men er heeft, natuurlijk.Dat geluk hebben we dan toch.

Dan naar het gemeentehuis om ons te laten inschrijven, wat niet gemakkelijk is met die halve Spanjaarden of zo iets. Na de middag maken we een wandeling. We gaan op verkenning en willen het een en ander bijkopen. Er moet water gehaald worden om de was te doen, want dat is lang geleden. Dan naar ons hotel voor het avondeten. Weer een van die extra menu’s, waar look de bovenhand heeft. En nu maar slapen in een bed." 

                          Het restaurant van 'Madame Blaise'

Jean: "We gaan naar het hotel waar we gisteravond gegeten hebben. Het hotel is gelegen naast het gemeentehuis. De vrouw noemen we ‘Madame Blaise’. Ze is nogal een dikke matrone. Het ergste voor ons is wel dat we de Franse taal niet goed bij machte zijn en dat die Fransen zelf een heel andere taal spreken.

Wat we nu te eten krijgen is niet veel vergeleken met dat van gisteren. Een klein glazen pintje goede koffie met twee klontjes suiker en droog wit brood. In het hotel kunnen we brood krijgen in overvloed, maar om te smeren moeten we zelf boter meebrengen. De middag is weer gereedgemaakt op Franse wijze. Het is bijzonder goed. Wat ons bij zo een maaltijd het ergste hindert, is wel de look. We maken er onze gastvrouw op attent, dat we dat soort ajuin niet gaarne eten. De volgende keer is het er niet meer in. De mensen gebruiken het zoveel dat ze er zelfs naar rieken."

Onze voorlopige woning

Jean: "Onze woning telt drie verdiepingen. Een groot gedeelte is niet bewoonbaar gemaakt voor de vluchtelingen, terwijl het andere helemaal voor ons is. Dit huis behoort aan een advocaat die in een andere stad woont. In dit huis hebben voor ons Spanjaarden verbleven die gevlucht zijn tijdens de Burgeroorlog.

Beneden kunnen we niet wonen omdat er geen vloer ligt en het vol vuiligheid steekt. Boven is alles goed in orde gebracht. Er staan bedden gemaakt uit een houten bak en de matras is gevuld met maïsbladeren. Er liggen wat dekens en een paar grove lakens op. Bij het keukengerief behoren enkele aarden kruiken waarmee we, enkele tientallen meters verder, water moeten gaan halen."

    

Elise: Daar was een oud winkelke. Ze verkochten er Savon de Marseille en van alles. Van die hele harde, zwarte chocola waar ge uw tanden aan kapot knabbelde. En de eerste maand was er nog redelijk wat koffie. Ik moest eens in dat winkelke kaas gaan halen. Ik wist niet wat ik moest meebrengen. ‘t Was allemaal groene, beschimmelde kaas. Ofwel kaas die erg brokkelig was. Ik dacht aan Hollandse kaas, schoon in schellekes gesneden, maar daar was geen sprake van. Ze verkochten er ook toespelden en van die zaken. En suiker, maar dat waren van die kegels, ge moest ze eerst in brokken kappen om ergens in te doen. 

    

DONDERDAG 23 MEI                 

"Om zes uur eruit. ‘t Is vreemd als men zo met twaalf man uit alle hoeken komt. Den ene zijn bed is kapot, den andere heeft vlooien moeten vangen. Eerst moeten we wat hout bijeenrapen, want kachels kent men hier niet.

We gaan samen wandelen en tot onze grote verbazing zien we langs de weg een slang van zo’n tweeënhalve meter lang. Daar hebben wij nog niet van gehoord. Als we ‘s avonds in het hotel aan tafel zitten, zegt onze baas - n’n oud-krijgsgevangene van 14-18 die wat Duits spreekt - dat er veel slangen zitten, maar dat er maar weinige giftig zijn." 

Elise: Na al die dagen en met al die kinderen moest er gewassen worden. In het midden van Montaigu was een plaats waar ze de publieke was deden. Ons ma zei: ‘Schrobben ze hier op die stenen? Hebben ze geen goei wasplank? Ze kon zich niet indenken dat ge in hetzelfde water moest wassen en spoelen.

VRIJDAG 24 MEI

"Als we de koffie binnen hebben, wat niet lang duurt, moeten we op de gendarmerie komen om te zien of wij in regel zijn, of we dienstplichtig zijn, wat onze stiel is, enz. enz.

Wanneer dit geregeld is ontmoeten we Léon De Schutter, n’n oud-gendarme van Beringen, die nu café en winkel heeft aan de Snep in Hulst-Tessenderlo. Een aangename ontmoeting zo ver van huis. Hij woont in Belvèze, vijf kilometer van onze stad. Al zitten wij als in een vervallen burcht, hij benijdt ons nog. Hij woont in een oude verlaten pachthoeve waar het ongedierte de baas speelt.Er wordt samen een glaasje gedronken en over onze reis gesproken. En over onze haven natuurlijk, wat wel een beetje hard valt. Daarbij, hij heeft zijn zonen bij en wij niet.

Zo sukkelen wij weer naar ons hotel, want de eerste acht dagen mogen wij in het hotel gaan eten."

 

ZATERDAG 25 MEI

"Het opstaan beginnen we al gewoon te worden. Alle dagen is er wat nieuws. In de gazet heb ik het adres gevonden van de ambassade te Parijs, om inlichtingen te vragen over Julien en Jean. Nu we hier wat gerust zitten, begint men te denken wat er van ons en van hen zal geworden.

Ons Elise heeft kennis aangeknoopt met een onderwijzeres. Vandaag mag zij met ons Yvonne naar school gaan.Voor Elise gaat dat nog, voor Yvonne die geen woord Frans kent, is het wat anders. Maar spelen kan ze er toch."

             De school in dezelfde straat als onze woning

Ma: Ons Yvonne is maar een paar dagen naar school geweest. Toen krioelde ze van de luizen. Ik heb twee dagen moeten kammen om ze proper te krijgen. Daarna hebben we ze thuis gehouden. Ze was maar acht jaar en ze had nog niks Frans geleerd.

Elise: De lessen werden gegeven door twee juffrouwen, madame Lala en madame Eche. Er waren maar twee klassen. Jongens en meisjes zaten samen. Links in het gebouw zaten de kleinsten, rechts de groten. Madame Lala gaf les aan de oudsten. Volgens madame Lala maakte ik weinig spelfouten. Ik dacht dat ik altijd zo goed had kunnen rekenen, maar daar werden de cijfers anders onder elkaar gezet. Ze hadden een heel andere manier van rekenen.

 

ZONDAG 26 MEI

"Om halftien is er een mis in de kerk. Allen gaan we er heen, met ons twaalven tegelijk. ‘t Is toch vreemd in de kerk, al predikt de pastoor schoon voor de vluchtelingen en de soldaten.Als de mis uit is, doorkruisen we de straten om te zien of er bij de vluchtelingen van gisteravond, geen van onze streek bij zijn. Ja, een enkele. Ene van Scherpenheuvel, die zit nu hier in Montaigu. Toch aardig.

‘s Middags in het hotel zijn er een dertigtal nieuwe klanten. Er is een witte pater bij, die samen met Henri Schaeken uit Corspel nog op school is geweest in Sint-Truiden. N’n halve Waal meen ik, bleek van opzicht met een sikbaardje. N’n echte missionaris.

Om vier uur trekt de processie door het dorp. Er is veel volk bij. Dit maakt indruk op de vluchtelingen die gelovig zijn. En die vindt men veel in deze tijd."

 

MAANDAG 27 MEI

"Het is zeven uur. Het bed kan ons niet meer houden, want ‘t is vandaag maandmarkt. Na de koffie staan de kramen bijna gereed met alles wat de boer voortbrengt.

Er is nog weelde hier. Een beestenmarkt met konijnen, hennen, duizenden eenden en ganzen, met eieren, aardappelen, fruit en zo meer. Ook de andere kramen zijn nog goed gevuld met schoenen, klederen, conserven, kaas, snoeperij en al wat in tijd van vrede een markt in België kan tonen. Ook de cafés doen goei zaken, want dit is een grote dag voor de boer.

En dan wij met onze bende, iets wat men in Frankrijk niet gewoon is. Ja, zeven kinderen die op straat spelen en tieren, dat kan men niet zo goed verdragen als honden die men hier met vier, zes, acht tegelijk ziet rondlopen."

 

DINSDAG 28 MEI

"We hebben goed geslapen na die markt. Om halfacht gaan we naar het hotel voor de koffie. Mis... Het is gedaan. De week is om. Dan maar brood gekocht. Boter en koffie hebben we nog, maar er is geen vuur. Dus brood en water zoals in den trein.

Er is wat anders. Men vertelt dat Koning Leopold zich met ons leger heeft overgegeven. Nu hebben de Belgen de boter op. Maar dat is nog niet alles. Om drie uur komt de garde zeggen dat we om vier uur aan de fontein moeten klaarstaan om te vertrekken. Ons ma hare was zit in het water. Niks aan te doen, nat of droog, hij moet mee.

Om vijf uur komen we in Bournac aan, een gehucht van Montaigu, zo op het einde van de wereld. We krijgen een oude pastorij toegewezen die dertig jaar gesloten is. Een echt buitenverblijf, enig in zijn soort, op ongeveer drie kilometer van Montaigu.

Alles wordt uitgepakt. Het staat ons toch aan. N’n barmhartige boer komt ons roepen om samen te eten. Deze ziet er toch wat vriendelijker uit dan de burgerij van het dorp. Een krijgsgevangene van 14-18. En nu elk een bed gezocht en erin."