NIEUWS OVER DE JONGENS 

MAANDAG 8 JULI

"Er komen nieuwe geburen. Op zo’n zeventig meter van ons huis staat een oude, verlaten school die drie jaar geleden gesloten is. Bij gebrek aan kinderen natuurlijk. Al wat ge ziet zijn enige schoolmeubels, landkaarten en gerief van een kookschool. Oud, versleten en vuil. Volgens er gezegd wordt, was het eens een moderne school, gekend om zijn goede leerkrachten.

Helaas, daar komen ze af, acht of tien jongemannen van rond de twintig. De meesten zijn Walen, studenten die in weelde zwommen, maar nu aan hun lot zijn overgelaten. Ze lopen hier rond, verwilderd, half gekleed, met veel geroep en getier. Een paar jonge vrouwen van de zesde soort zijn het gezelschap komen vervoegen.

Het schijnt dat de meesten van hen in het dorp weggestuurd zijn om hun gedrag dat niet bij iedereen paste. Ze houden jazzband en spelen indiaan op de bergen, half gekleed of in adamskostuum. Tegen de nacht gaan ze nog eens naar ‘t dorp. We hebben geburen uit België, maar voor de kinderen past het wel niet."

 

Jean: "Intussen zijn er jongelui in de school van Bournac komen wonen. Walen en Fransen. Ze kwamen hier per auto aangebold en waren op korte tijd gehuisvest. Het blijkt al dadelijk dat ze zich weinig bekommeren om hier zo eenzaam te zitten. Tot ‘s middags blijven ze in hun pyjama’s rondlopen. Gezamenlijk trekken ze daarna naar Montaigu en keren in de namiddag terug. Dan begint hun spel. Ze verdelen zich in twee groepen en proberen elkander te treffen met rieten stokken die hier bezijden de bergen groeien en die ze afgesneden hebben. Daarbij wordt de school als verdediging gebruikt. Ze spelen op het dak, zodat er veel pannen vernield worden.

Vignoles gaat dit in Montaigu vertellen met het gevolg dat er enkelen worden teruggeroepen. Zo blijven er nog vijf van het tiental over. Het wordt dadelijk rustiger. Na een tijdje komt er nog ene van Verviers bij. Dat blijkt een goede jongen te zijn. Deze mannen gaan geregeld in de beek zwemmen en voetballen in Montaigu, waar de Belgen zelfs een match gespeeld hebben tegen de Fransen. Als ze voor het eten iets tekort hebben, komen ze naar ons, maar daar is geen misbruik van gemaakt."

 

DINSDAG 9 JULI

"Het weder ziet er schoon uit. Als wij samen aan tafel zitten, moeten we toch eens praten over Julien en Jean. Als die ook in zo’n gezelschap aangeland zijn, iets wat niet te hopen is, maar alles is mogelijk.

Ons ma moet vandaag naar de gendarmerie om hare pas te laten veranderen. Dat komt ervan met iets verloren te doen.

Na de middag maken we een wandeling in de buurt van de bergtop, waar we de wijngaarden al eens bezochten. Daar heb ik een soort fonteintje ontdekt, iets schoons.

In een dal staat een fonteintje mechaniek, maar toch speelt de natuur haar rol mee. In een laagte is een vierkante vergaarbak gemetseld die het rotswater opvangt. Daarin komen de buizen uit die naar het fonteintje leiden. Alle 5 à 6 seconden klopt dat als een hamerslag, juist of het ademt. En zeggen dat het water naar verre huizen en velden gedreven wordt. In deze vergaarbak komen de koeien die op de bergen grazen, nu en dan drinken.

Hoe schoon! Maar de juiste inhoud van dit natuurschoon en mensenwerk hebben we niet kunnen achterhalen."

 

Jean: "Wanneer we over de rotsen naar Miquel gaan, komen we aan een grote waterbak. Deze is ongeveer vijf meter lang, drie meter breed, anderhalve meter diep en helemaal in cement gemaakt.

Het water komt onder een rots uitgevloeid en is zeer koud maar goed om te drinken. Langs de andere zijde vloeit het dan naar een pomp die het water wegstoot met een regelmatige tjok - tjok. Dat lawaai horen we reeds van op een paar honderd meter afstand.

In die wasbak zijn André en ik eens gaan zwemmen, maar langer dan een paar minuten konden we er niet in blijven, omdat het water vreselijk koud was."

 

WOENSDAG 10 JULI

"Met dit heel schoon en warm weer zijn we om zeven uur uit de veren. Om 9 uur ne brief van Jules Goovaerts uit Toulouse. Hij komt ons weer wat moed inpompen over Julien en Jean. Nu denkt hij ze zeker te vinden in Montpellier. Ook een leraar van Mechelen-aan-de-Maas, een zekere Bullen, heeft er heen geschreven. Die zegt dat daar nog jongens van het Gesticht (Normaalschool) zijn en zo zal het des te gemakkelijker zijn om ze te kunnen vinden. Tot nu toe is alles nogal meegevallen. We geven de moed niet op."

 

Elise: "Over de mannen werd elke dag gesproken. Waar zouden ze zijn? Zouden ze hunne plan kunnen trekken? Ze zijn op een leeftijd dat ze altijd honger hebben. En die Waalse jongens, ze hebben geen broek aan hun gat.

Onze pa was echt begaan met die jongens. Hij zei tegen ons ma: denk maar eens dat ons mannen ook zo ergens zitten, ze zouden ook graag geholpen worden. En altijd maar schrijven. Brieven schrijven en een brief verwachten. Die onzekerheid drukte heel hard op ons ma en op onze pa. In dat opzicht was het zwaar voor hen." 

 

            Montaigu-de-Quercy - La Grande Place    

 

DONDERDAG 11 JULI

"Regen en nog eens regen. Het kan ons niet thuishouden, want vandaag is het uitbetaling van zeven dagen. De meeste vluchtelingen zijn nog op hunne post, al vertelt men dat er begonnen is met de jongens terug naar België te sturen. Als men niet zoveel vertelde, zou ik geloven dat de jongens nog voor ons thuis gaan zijn. Nu, ze zullen hunne plan wel trekken.

Als we terug in Bournac zijn, betert het weer en na de middag is het schoon om een wandelingske te maken. Juist als wij middag geëten hebben, krijgen wij bezoek van de Gentenaars. Twee jonge kerels die wat komen praten over hun vlucht. Met deze jongens gaan wij eens naar de grotwoning van de oude Galliërs in de rotsen.

‘t Is iets eigenaardigs en toch ligt er waarheid in, denk ik. Het is door mensenhanden uitgehouwen, halfweg de berg. Drie, vier kamertjes verbonden door smalle gangen van één meter breed en zo’n anderhalve meter hoog. De kamertjes zijn ongeveer twee op drie meter.

Nu worden die salons door wilde dieren bewoond, of liever door ongedierte, hagedissen, kruipdieren en zo meer.

Daarna reist ons gezelschap af."

GROTWONINGEN IN DE IJSTIJD

Duizenden jaren geleden zwierven enorme kudden grazende dieren over de vlakten van West-Europa. Het krioelde hier van rendieren, oerossen, paarden, mammoeten, herten, steenbokken, holenleeuwen, wolven, wolharige neushoorns, vissen en vogels. De rendierjacht was het belangrijkste bestaansmiddel.

In Zuid-Frankrijk was het klimaat betrekkelijk koud geworden. De voorhistorische mensen namen hun intrek in rotsholen (abri’s). Ze leefden in kleine jachtgemeenschappen, groepen van twee of drie verwante gezinnen. Dit was zowat de grootste leefgemeenschap die in staat was zichzelf te onderhouden door in een bepaald gebied te jagen en te vissen. De mannen waren kundige jagers op groot en klein wild. Ze liepen op de smalle wegeltjes tussen het kreupelhout langs de Dordogne en haar bijrivieren. Ook la Petite Séoune, was toen een rivier.

De vrouwen verzamelden vruchten, wortels en kruiden.

Jean: "Juist boven ons huis is er een grot in de rotsen. Als we het kleine paadje naar boven toe een twintigtal meters volgen en dan bijna loodrecht omhoog klimmen, zien we achter wat struiken een ronde opening van zowat één meter doorsnede. De opening is ongeveer één meter hoger gelegen dan ‘t binnenste van de grot zelf. Zand dat door de regen mee naar binnen gespoeld is, heeft ‘t afdalen gemakkelijker gemaakt.

Vooreerst komt men in een ruime kamer (I) van drie meter lengte, twee meter breedte en twee meter hoogte. Daarachter bevindt zich een kleiner kamerke (II) met een doormeter van twee meter. Het is anderhalve meter hoog en heeft de vorm van een cilinder. Links daarvan loopt een smal gangetje (VI) dat een halve meter breed en anderhalve meter hoog is en na een paar meters doodloopt.

Nu komen we in de zijgangen en kamers. Links van de eerste grote kamer is er een gang die bijna een vierde van een cirkelomtrek beslaat en in een cirkelvormige kamer (III) uitkomt. De gang en de kamer zijn niet meer zo hoog en men moet zich bukken. Rechts van de grote kamer bevindt zich nog een gang met daarachter een kamer (IV), allen in dezelfde vorm.

Tussen de kamers III en IV is er een verbindingsgang die onder de grote kamer doorloopt. Nu is die echter gedeeltelijk met stenen gevuld zodat men er slechts op zijn buik doorheen kan kruipen.

Zoals de mensen daar zeggen, moeten in die grot de eerste bewoners van Frankrijk geleefd hebben. Ook zouden ze die verschillende kamers en gangen zelf uitgehouwen hebben. Op de wanden kan men nog goed de sporen zien van het kappen. Men ziet duidelijk hoe ver ze telkens met een scherp voorwerp gekapt hebben. De breedte van elke snede is 3 à 4 cm, de lengte ongeveer 10 tot 15 cm. Het is ruw afgewerkt. Vanbinnen is het vochtig en koel omdat niet de zon, maar alleen een weinig daglicht erin kan.

Wanneer men op de grond stampt, klinkt het hol. Niet ver boven de grot bevindt zich een diepe put, waarin altijd water staat dat vanaf de rotsen komt als het geregend heeft. Verder hebben we in verschillende rotsholten beenderen gevonden, waarschijnlijk afkomstig van dieren."

            Madame Lala, onderwijzeres, over de beschrijving

            van de holwoning in het dagboek van Jean

 

Hoe ver verwijderd van alles die huizen ook liggen, toch zijn ze goed bedeeld met elektrieke leiding. Dwars door de bossen, over bergen en dalen, land en weiden, drie, vier, vijf tot zes en nog meer kilometers lang. Van de cabine rechtdoor naar de hoeven. Iets schoons, alle lijnen met dezelfde betonnen palen. Zo’n kosten zijn moeilijk te ramen. Een grote oppervlakte en weinig huizen. Niet minder dan tien cabines voor duizend zielen. Allen op gelijke voet behandeld. Wat een reuzenwerk."

 

ZATERDAG 13 JULI

"Al is het overdag stikheet, toch zijn de nachten koud, een groot verschil met de temperatuur in België. Na de koffie gaan Elise en ik naar ‘t dorp om te winkelen. De hele weg wordt er over Julien en Jean gepraat. Wanneer zullen zij ons weerzien? Waar zullen ze geweest zijn? In armoede of weelde? Soldaat of wat? Als ze maar samen zijn kunnen blijven, zonder ongeluk. En hoe zal het er in Beverlo uitzien? We zijn nu in het octaaf van Sint-Odilia. De kersen zijn rijp, maar wie zal ze plukken?

Zo komen wij in Montaigu aan waar alles krap wordt. Ons Elise heeft er wat kennissen en spreekt Frans dat het rolt. Zo krijgen wij onze filet toch nog vol.

In het terugkomen bewonderen we in de laagte een oud moederke die haar ganzen hoedt. Ze volgen haar als kiekens. Het moederke is iets ouderwets. Ze slijt haar jaren op deze aarde, van iedereen afgezonderd, alleen met haar platvoeten, haar ganzen en eenden."

 

André: Uw ma en uwe pa waren ongerust over de mannen. Wij waren samen, wij verstonden dat goed genoeg. Uw ma was daar harder in dan uwe pa, dat is mij altijd opgevallen. Die kon over zijn twee mannen niet zwijgen.

Uw ma zei: ze zijn groot genoeg om hunne plan te trekken. Ja, ge kunt er toch maar naar raden, zei uwe pa dan. Maar met de tijd beterde het, werd er minder over gepraat.

 

ZONDAG 14 JULI

"Na de mis rijden Nand en ik naar ‘t dorp om de grote défilé te zien van oudstrijders met hun vaandel en Franse soldaten die mee opstappen. Dat is niet in orde: ene in een compleet kostuum, n’n andere met een pet op, een pots, met een blauwe broek aan, ne burgerjas en zo van alles. Zou het leger dan zo gehavend uit de strijd gekomen zijn? We drinken nog n’n pernot en rijden naar huis.

Na het middageten willen we gaan wandelen, maar ‘t is mis, het regent. En als het slecht weer is valt er niets te doen. Geen vlinders vangen, geen leesboeken, geen tekengerief, geen verf om te schilderen, wat anders wel zou lukken omdat de landschappen, o zo schoon zijn. N’n droom."

 

MAANDAG 15 JULI

"Regen en nog eens regen, het giet door het dak. Ja, ook door de zolder en door ons bed. Al is het nog wel wat te vroeg, we zullen toch maar opstaan en ons bed wegschuiven. Ha, de facteur heeft vandaag goed nieuws van Jules uit Toulouse. N’n hele brief, maar nog niet de gewenste uitslag. Moed houden, want komen zal die, aldus Jules.

Van wandelen is er vandaag geen sprake. Als ons Elise de bedden opmaakt, doet ze hare schone ring verloren. Waarschijnlijk in ‘t stro. Als zij na lang zoeken nog niets gevonden heeft, moet ze natuurlijk beroep doen op hare pa.

Ja, ik zal mijn specialiteit eens tonen. Na een uur heb ik nog niets gevonden. Elise, als gij zeker zijt dat ge hem hier verloren hebt, dan vind ik hem. Het stro wordt uit de strozakken gehaald en brok voor brok nagekeken. Eindelijk, daar is hij! Twee uur zoeken is lang, maar ge weet dat ik alles kan vinden, zolang Sint-Antonius maar een handje toesteekt.

Maar wat ge niet kunt vinden, zegt Elise, is Julien en Jean.

Toch wel, Elise, al is het in Beverlo. Ge moogt nooit de moed opgeven. Als ik twee uren moet zoeken om zo’n klein ding te vinden, dan mogen we wel wat langer zoeken naar zulke grote dingen."

 

Elise: Dat was de ring van mijn plechtige communie die ik van Marguerite gekregen had. Ons ma had gezegd: ‘Doet hem maar aan, want als ge hem ergens legt, gaat ge hem zeker kwijtraken.’ En met die bedden op te maken - ik moest er ‘s morgens zo’n serie doen - had ik op ne keer mijne ring kwijt. Onze pa heeft hem teruggevonden, maar het had wel wat geduurd.

 

DINSDAG 16 JULI

"Het vuur blaast, er zal nieuws zijn. En inderdaad, als wij geëten hebben, komt de facteur binnen met n’n telegram. Iedereen is benieuwd naar wat er in staat. We hadden al gezien dat hij uit Toulouse kwam, van Jules Goovaerts. Gauw opendoen en lezen.

         JULIEN ET JEAN à MECHELENMAAS.

              BELGIQUE. LETTRE SUIT.

                                   

                                           JULES GOOVAERTS

Wat een vreugde in gans de familie, zo vroeg in de morgen. Ja, nu wordt er nog meer gepraat en verondersteld. Maar we weten natuurlijk geen uitslag, van hoe of waar. Als dat waar is, zullen ze wel eens naar Beverlo afreizen. Maar of zij van ons iets afweten is wat anders. Als de brief komt, weten we misschien meer.

Jules is toch ne fermen type. Hij heeft zijn belofte gehouden zoals hij reeds schreef in zijn brieven. Maar dat de jongens in België waren, had hij ook niet gedacht. Waar zouden die wel gezeten hebben? Of zouden ze vanuit Frankrijk al teruggestuurd zijn?

Nu is alleman wat meer gerust. Gauw tot bij onze boer om het blije nieuws te zeggen. Nieuwe hoop."

 

WOENSDAG 17 JULI

"Om 9 uur is er de langverwachte brief uit Toulouse met goed nieuws en meer uitleg. Volgens Jules schrijft zijn Julien en Jean in Brussel bij zijn vrouw geweest. Vandaar zijn ze naar Beverlo gegaan en zo naar Mechelen-aan-de-Maas. Nu is er geen vergissing meer mogelijk.

Hoe het nieuws hier is gekomen? Jules had enige weken geleden een brief meegegeven naar Brussel, met onze namen erbij. Zo zullen de jongens ook weten waar wij zijn. Nu is er veel opgelost, met dat speculeren aan beide kanten. Al zitten we ver van mekaar, nu weten we toch dat ze in goede gezondheid zijn en thuis geweest zijn. Hoe het daar gesteld is, laat ons onverschillig, al hangt er toch ook veel van af. Zij zullen hunne plan wel trekken en in nood door familie en kennissen geholpen worden.

Rap drie brieven geschreven: ene naar Jules om hem te bedanken, ene naar Julien en Jean in Mechelen-aan-de-Maas en ene naar meneer Ooms, burgemeester van ons dorp, met de opdracht om de jongens in nood te helpen."

 

DONDERDAG 18 JULI

"Als wij om 8 uur aan tafel zitten, komt de boer af om ne nieuwe kruiwagen te maken. Zijn zoon heeft met de kar de oude kruiwagen overreden en die is, behalve het wiel, helemaal aan stukken.

In gans de streek is er gene radenmaker te vinden en de boer weet geen raad. Onze Nand is wat ziek, die kan niet meehelpen en met het gereedschap van de boer zal het erg zijn. Maar omdat het ne goeie vent is, neem ik het toch aan.

Het gereedschap wordt gescherpt, wat hout bijeen getrommeld en ‘t zal wel lukken. Tegen de avond is de kruiwagen klaar. Het oude wiel is erin gezet, houten poten staan eronder en de boer is naar Roquecor geweest om verf te halen.

Hij is klaar. N’n hele nieuwe kruiwagen, schoon geverfd.

Goed geëten, een half stuk in m’n botten en de mensen staan te kijken. Met zo’n bullen ne schone wagen maken is wel een meesterstuk in zijn soort. Ne kook patatten, salade, bonen, wijn. Niets is te veel voor de boer. En voor ons ook niet. Geld moeten we niet hebben, als we maar kunnen eten." 

Jean: "Op een dag kwam Roger met de kar en de koeien van het land gereden. Juist voor het huis stond een kruiwagen en per ongeluk reed Roger met de kar de wagen aan stukken. Een nieuwe kruiwagen werd door nonkel Sus gemaakt, daar onze pa ziek was."

 

VRIJDAG 19 JULI

"De tijd vordert, het is half juli geworden. Al is er zoveel gebeurd bij ons en ver van ons, hier verloopt alles normaal.

Na de koffie gaan we werken bij de boer, tarwe afrollen. De tarwe wordt gemaaid met de machine en wij moeten volgen om de schoven op te rollen en weg te leggen, zodat er plaats is voor de koeien die de machine voorttrekken.

Met niet veel volk valt het hard om te volgen, temeer daar het land een schuine helling tegen de berg is. ‘t Is moeilijk voor de dieren die de ganse dag door worden opgejaagd met ne lange stok met van voor ne scherpe nagel in. Daarmee worden de dieren vanachter bestookt, iets wat in België niet zou toegelaten zijn.

Pour piquer les boeufs, on fait usage d’un bâton long (3m.) et délié, armé à son petit bout d’une pointe de fer, ‘lo guillado’ (l’aiguillon).                     (E.Sol 2 p.17)

En dan het gesakker en gevloek van de voerman. Alle twee uren wordt er een ander koppel dieren gebruikt, ossen of koeien, de boeren hebben van alles.

Zo hebben wij de middag verdiend en ‘t is ne goeie. Juist ne kermisdag van bij ons. Kiek of konijn ontbreekt niet. Wijn, likeur, koffie met eau-de-vie ook niet. Dan opgelegde eendenlever, iets lekkers voor mij. Het schijnt dat die dozen in de stad 160 fr per kilo kosten.

Na de middag hebben wij verlof. De boer moet een koe leveren die hij verkocht heeft. Ons Yvonne en ik gaan dan maar vlinders vangen."

 

ZATERDAG 20 JULI

"Vandaag hetzelfde liedje: tarwe afrollen en tegen de avond helpen binden en in hopen zetten. Volle gas, want men denkt dat er regen in aantocht is. Als we zo ne dag gewerkt hebben voor de kost, zorgt de boer ook voor ons huishouden.

Ja, ‘t is maar n’n halve grote boer. De grote boeren, zoals er hier een paar wonen, doen het graan af met een speciale machine. Daar komt het graan, in schoven gebonden, uitgerold. Dat gaat alleen op platte grond en waar het graan niet te fel omgevallen is door de wind en de buien.

Als wij tegen de avond naar de hoeve terugkeren, vraag ik naar de schuur. Die is er niet, er is wel een grote hangaar. Na de oogst komt men rond met een grote dorsmachine. Dan wordt al het graan gedorsen en het stro op zolder gedaan.

De stallen zijn extra fijn ingericht, schoon gevloerd, met bakken, hooiladders, kalverenstallen enz. Ook worden ze goed onderhouden, de dieren zien er proper uit."

ZONDAG 21 JULI

"Mis in Bournac zoals gewoonlijk. Extra oogstweer. ‘t Is stikkend heet.

Na de middag wandelen we met ons vieren naar Gouts, ongeveer vier kilometer ver. Ook een gehucht van Montaigu, waar we een schone kerk gaan bezoeken. Onderweg zien we een vlinder die we nog niet hebben. Ik snij een lange tak met wat bladeren aan en eindelijk hebben we er eentje te pakken. Juist een zebra.

In de verte, rechts van een hoopke huizen, staat een beeld van het Heilig Hart. Iets reusachtigs. Het beeld, op een voetstuk van ongeveer 6 à 10 meter hoogte, staat op het hoogste punt van de streek. Men zegt dat dit beeld gans de vallei beheerst.

    

Onze terugtocht gaat langs Montaigu. Er worden een paar potjes gedronken, want dorst hebben we. Wandelen in de zon van 50-52 graden moet ge gewoon zijn.

Als wij thuis zijn, komt ook Nand met zijn bende terug. Die zijn naar Rocquecor geweest en hebben er enkele flesjes gedronken met Belgische vluchtelingen die daar hun intrek genomen hebben."

 

Jean: Het weer. "Gans de dag staat de zon bijna loodrecht boven ons, bijzonder ‘s middags. Toch is de warmte niet altijd dezelfde. Een dag is het zo warm geweest, dat we ‘s middags niet uit de schaduw durfden komen. Geen windje noch wolkje was er te bespeuren. Niemand zagen we buiten en alleen ‘s morgens en ‘s avonds werkten de boeren. De mensen zegden toen ook: ‘Il fait chaud’ en dat gebeurt niet dikwijls.

Dikwijls hangt er ‘s morgens mist, die dan in de valleien het langst blijft hangen. Zo gauw hij weg is, is het altijd zeer warm.

Alle dagen is het ook niet hetzelfde mooi weer. Soms regent het dagen aan een stuk. Wanneer we aan het wandelen zijn, zien we de regen die zich als een grijze, dikke wolk voortbeweegt, uit de richting van Roquecor naar ons toekomen." 

 

MAANDAG 22 JULI

"Gisteren is in Montaigu een défilé geweest van de Belgische oudstrijders aan het standbeeld voor de gesneuvelden. Wij wisten het niet, anders waren wij ook eens gaan zien.

Vandaag is het weder goed. Nand, ik en twee van Aarschot gaan voor de boer in de maïs werken. Het gaat niet goed, de laatste regen heeft op de kleigrond zijn uitwerking gehad. En met die hitte zijn het allemaal leemklotten geworden, met distels begroeid. Maar de tijd vordert en het veld moet gezuiverd worden. Zo’n 99 rijen die 120-150 meter lang zijn, dat telt om ze te zuiveren.

Om goed te staan met onze buurman in nood, moet men al van alles doen. Altijd wandelen is ook vervelend. En vlinders vangen is schoon, maar niet om zeven dagen van de week achter vlinders te lopen die hier met tienduizenden rondvliegen. Er zijn veel kleine bij die ge bij ons niet ziet."

 

DINSDAG 23 JULI

"Om 7 uur koffie en dan met halfschoon weer voor de laatste dag naar de maïs. ‘t Is tijd dat hij zuiver is, want hij is al meer dan ne meter hoog. Als ge een plant met de hak raakt en er ‘s anderendaags wat wind bijkomt, dan ligt die om. Zo een plekje maïs brengt ongeveer 3000 kilo op, wat toch al telt voor zo’n boerke.1

Als we van het veld naar huis gaan, komen we vluchtelingen tegen die naar ‘t dorp geweest zijn. Ze vertellen dat sommigen per velo naar België terugrijden.

Wij kunnen daar niet aan denken. Met pak en zak, ons Yvonne en Peteren en dan 1200 km afleggen, dat zal niet gaan. Als men hier vijf kilometer rijdt, heeft men al bergen om te voet op te gaan. Dat zullen we maar uit onze kop zetten.

Wachten is de boodschap, al valt de tijd lang, hoe schoon de natuur ook is. We denken maar dat we voor ons plezier hier zijn, nu we nieuws hebben over de jongens."