Tocht naar Frankrijk
| KORTE TIJD IN EEKLOO |
Na het ontbijt wonen we de begrafenis bij van een vrouw die door een parachutist is doodgeschoten. Daarna staan we bij het gemeentehuis in de rij om ons te laten inschrijven. Onze identiteitskaart wordt afgestempeld. Dat is nodig om de zo noodzakelijke rantsoeneringszegels te bekomen. De stempel is het bewijs dat wij reservisten zijn die behoren tot de werfreserve.
Mevrouw Baillu is als een engel voor ons. Ze is bijzonder vriendelijk en zeer met ons begaan. Het eten is lekker. We zijn er, zou je kunnen zeggen, in vol-pension.
We ontmoeten Jean Poelmans, onderwijzer in ons dorp. De man is hypernerveus. Daar heeft hij alle reden voor: reeds tweemaal is hij aangehouden op verdenking van een Duitse spion te zijn. Iedereen heeft deze dagen de mond vol over de vijfde colonne, parachutisten en sabotage. Niet alleen Jean Poelmans had daar last van. Henri Jamar, onderwijzer in Oostham, op de vlucht, was op 13 mei in Westmeerbeek:
| NAAR ROESELARE |
DINSDAG 14 MEI: EEKLO ~BELLEM
Lang blijven we niet in Eeklo. De Duitse opmars door Nederland en de Ardennen verloopt zo snel dat we dringend moeten vertrekken.In Roeselare zal een trein gereedstaan om de mannen van de werfreserve naar Frankrijk te brengen. Toch hebben die paar dagen rust ons goed gedaan. ‘s Middags wordt er lekker gegeten. Mevrouw Baillu heeft patates frites klaargemaakt. Daarna nemen we afscheid.
Er worden twee groepen gevormd. We kunnen te voet mee ofwel op de fiets. We besluiten om te voet mee te gaan. André Blomme, Frans Quanten, Arthur en René Schaeken vertrekken op de fiets. Er zijn nog drie jongens uit Beverlo die de tocht te voet zullen meemaken: Pol Lenaerts, Fik Gielen en Frans Van-derheyden. Met ons vijven zullen we de volgende dagen samenblijven.
Omstreeks vier uur vertrekken we onder leiding van een Belgische legeroverste. De weg loopt door de bossen van Ursel naar Bellem. Onze fiets is bepakt als een muilezel. Dat maakt voor ons het marcheren heel wat makkelijker.In Bellem ontfermen twee vrouwen zich over ons. Ze zijn ongerust, de laatste dagen hebben ze geen nieuws meer ontvangen van hun mannen die opgeroepen werden. Ze spreken een dialect waar we omzeggens niks van snappen. We krijgen rauw spek voorgezet, het is de eerste keer dat dit zo op ons bord komt. Met veel moeite krijg ik het door de keel. We slapen op een matras, dat valt mee.
| DE TERUGTOCHT donderdag 16 - zondag 19 mei
Wat de Fransen voor onmogelijk hielden, is gebeurd. Duitse pantsers hebben zich in twee dagen een weg gebaand door de Ardennen. Op het einde van de 5de dag is een 80 km brede bres geslagen tussen Dinant en Sedan. Guderians tankspitsen trekken snel verder. De 10de dag veroveren ze Cambrai en Arras, op 100 km van de zee. Om aan de omsingeling te ontkomen moet de KW-linie ontruimd worden en trekken de geallieerden zich terug achter de Schelde en het kanaal Gent-Terneuzen. Brussel en Antwerpen worden door de Duitsers bezet. De Belgische regering verlaat het land, de koning blijft. |
WOENSDAG 15 MEI: BELLEM ~WINGENE
Om tien uur trekken we langs binnenwegen naar Wingene. Meester Poelmans is de ganse dag bij ons. Hij blijkt een panische schrik te hebben voor Duitse vliegtuigen.Ook in Wingene weet men met al die jongens geen raad. Germanist Pol studeert in Leuven en kent een studiegenoot uit Wingene. Dat is een meevaller. We vinden onderdak bij het gezin Creytens-Lams in de Leenmolenstraat nr 356. Als we in bed liggen, wordt er aangeklopt. Er is bezoek voor ons. Arthur Heymans en zijn vrouw staan voor de deur. Op de vlucht zoals duizenden landgenoten, zijn ze met de familie Hoogsteyns, hun overburen, in Wingene aanbeland. Toen ze hoorden dat bij de jongemannen ook jongens van Beverlo waren, zijn ze er naar op zoek gegaan.
DONDERDAG 16 MEI: WINGENE ~ BEVEREN
Om zes uur moeten we uit de veren want de groep vertrekt om halfacht. Na Zwevezele komen we in Koolskamp aan. Daar breekt het stuur van onze fiets. Blijkbaar was die te zwaar beladen. Vlug naar een fietsenmaker. Voor vijf frank vervangt hij het gebroken ding door een tweedehandsstuur. Meester Poelmans betaalt. Hij heeft van Arthur Heymans, eerste schepen van ons dorp, 50 frank gekregen om in geval van nood de jongens van Beverlo te helpen.De laatste kilometers van de dag mogen we van een voerman op de kar zitten. Een buitenkansje. Zo rijden we Beveren binnen. In dit dorp vlakbij Roeselare krijgen we gratis eten en slapen we in ‘het Patronaat’.
VRIJDAG 17 MEI: BEVEREN
Om de troepenbewegingen niet te hinderen is van vrijdagochtend acht uur tot zondagavond alle verkeer op de openbare weg verboden. We kunnen niet naar Roeselare en moeten twee dagen in Beveren blijven. We rusten uit en spelen kaart. Dank zij Fik, onze humorist, verveelt zich niemand.De hele nacht zijn er Duitse vliegtuigen in de lucht. De horizon in oostelijke richting kleurt geeloranje. Akelig! We slapen weer in de patronaatszaal.
ZATERDAG 18 MEI: BEVEREN ~ ROESELARE
Om halfzeven staan we op. In het station van Roeselare wacht een trein op de mannen van de werfreserve. Voor we goed en wel geïnstalleerd zijn, moeten we weer uitstappen. Er wordt mondvoorraad uitgedeeld. Fietsen mogen niet op de trein. We stallen onze peugeot in Roeselare bij R. Vandenbussche-Decruy in de Ardooisesteenweg nr.24. Het wachten duurt eindeloos. Tegen de avond vertrekt de trein.
| NAAR EEN OPVANGCENTRUM IN FRANKRIJK |
ZATERDAG 18 MEI: ROESELARE ~ IEPER
We zijn op weg naar Frankrijk. Benieuwd wat ons te wachten staat. Nog nooit zijn we buiten ons landje geweest. Twee kilometer voor Ieper hebben we pech. Omdat het militaire transport voorrang heeft, moet de trein de ganse nacht in het veld blijven staan. ‘s Avonds zijn we ooggetuige van een luchtgevecht tussen twee Franse vliegtuigen en een Duits toestel. Ditmaal moet de Duitser het afleggen. Rond tien uur trachten we op de banken te slapen. Fik en Pol kruipen in de bagagerekken, maar van slapen komt niet veel terecht.
ZONDAG 19 MEI: IEPER ~ ALVERINGEM
We zijn vroeg wakker en maken een ochtendwandeling. Pol en Fik ontdekken dat ze in Beveren handdoek en zeep hebben achtergelaten. Geen nood: er wordt zeep en... chocolade uitgedeeld.De trein staat nog altijd midden de velden en maakt geen aanstalten om te vertrekken. Het treinverkeer wordt maximaal benut om de Franse troepen die naar het noorden waren gestuurd, naar Frankrijk te laten terugkeren. En de Luftwaffe blijft het spoorwegnet bombarderen.
We blijven niet wachten. Onder leiding van onze legeroversten vertrekken we om drie uur naar Veurne, een tocht van een dertigtal kilometer. Ditmaal is het te voet en zonder fiets. In Alveringem, vijf kilometer voor Veurne, breken we de mars af om te overnachten. We vinden onderdak in een schuur, waar ratten ons gezelschap houden. Geen pretje. De stank van de stier beneden ons en z’n gestamp houden ons wakker.
MAANDAG 20 MEI: ALVERINGEM ~ DUINKERKEN
Van de afspraak ‘om vier uur uit de veren (of beter uit het hooi) want om halfvijf vertrekt de colonne’ komt niets in huis. We verslapen ons en worden pas om halfvijf wakker. Vlug eten we wat en spoeden ons naar de verzamelplaats, maar we komen te laat, onze groep is reeds vertrokken.We vragen ons af wat we nu moeten doen. Pol, de oudste en zowat de leider van ons vijftal, vindt het zo erg niet. ‘We gaan gewoon verder’, zegt hij.
Na de middag vertrekken we. In Veurne nemen we richting Adinkerke. Even voor de Franse grens sluiten we ons bij een andere groep jongeren aan. Vluchtelingen in eindeloze rijen stromen toe. Paspoorten worden gecontroleerd. Voor de Franse gendarmen en douaniers is het een hopeloze taak, ze kunnen er niet om lachen. Wellicht zijn ze bezorgd voor de openbare orde en veiligheid. De schrik voor de vijfde colonne zit er diep in.
Eindelijk is de formaliteit achter de rug en mogen we de grens over. Maar waar is de groep waar we zo pas bij aansloten? Tussen de duizenden vluchtelingen ernaar op zoek gaan is onbegonnen werk. Met ons vijven trekken we verder in de richting van Duinkerken. Door de aanhoudende bombardementen van de Luftwaffe is Duinkerken een doodse, leeggelopen stad geworden.
Waar vinden we hier eten en slaapgelegenheid? Eindelijk gaat een deur voor ons open. Een arbeider is heel alleen thuisgebleven, wellicht om zijn huis tegen diefstal te beschermen. Veel kan er nochtans niet meer gestolen worden, alle kamers zijn zo goed als leeggehaald. De man is vriendelijk. Op de eerste verdieping wijst hij ons een lege kamer aan. Het wordt avond en we leggen ons op de plankenvloer neer. Een paar spullen uit onze pakken dienen als hoofdkussen.We slapen in, van vermoeidheid wellicht, maar niet voor lang. Aanhoudend komen bommenwerpers aangevlogen. Het lijkt of de stad door vuurwerk verlicht wordt. De haven krijgt het weer erg te verduren. Wanneer de bommen dichterbij beginnen te vallen, snellen we naar beneden. Waar is de kelder? Die is er niet. De eigenaar doet teken dat we het veiligst in een deuropening gaan staan. Met een balk boven ons hoofd moeten we het maar zien te redden. Met kloppend hart wachten we het einde van het bombardement af.
| DE OMSINGELING maandag 20 - vrijdag 24 mei
Na tien dagen heeft ons leger postgevat achter de Schelde en het kanaal Gent-Terneuzen. De aanvallen van de Duitse artillerie en de Luftwaffe verplichten de Belgische troepen uit te wijken naar de Leie en het afwater-ingskanaal ten noorden van Deinze. Deze geïmproviseerde en zwakke verdedigingslijn wordt de laatste schakel in het Belgische verdedigingswerk. In Frankrijk maken de Duitse pantsers een sprong van 100 km. De avond van 19 mei bereiken ze Abbeville en is de omsingeling een feit. Vijfenveertig geallieerde divisies zijn omsingeld |
DINSDAG 21 MEI: DUINKERKEN ~ BOURBOURG
We hebben niets te eten. Om acht uur vertrekken we. De havenstad brandt op vele plaatsen. We nemen de richting naar het zuiden en volgen een tweederangsweg die naast het kanaal Bourbourg-Duinkerken loopt. Een stoeipartijtje tussen Fik en Pol heeft een fatale afloop: de valies van Fik valt in ‘t kanaal. Hoe is dat in godsnaam mogelijk? Natuurlijk Pol zijn schuld!Om vier uur komen we in Bourbourg aan. In dit kleine stadje vinden we geen onderkomen. De Fransen zijn argwanend en niet zonder reden. In de buurt zijn zeventien parachutisten gedropt. Zeven ervan zijn opgepakt.
Tussen de duizenden mensen die op de vlucht zijn, zien we onze dorpsgenoot, meester Poelmans, terug. Hij sluit zich weer bij ons aan. Buiten de stad is een jonge Fransman op het veld aan het werk. We vragen hem of hij ons een plaats kan aanwijzen waar we kunnen overnachten. Meester Poelmans doet het woord. Aanvankelijk schijnt de jongen ons niet erg te vertrouwen. Elke vreemdeling kan een spion zijn. Wij spreken Vlaams en dat klinkt voor hem wellicht erg Duits.Identiteitskaarten worden boven gehaald en uiteindelijk is de jongeman gerustgesteld. Terwijl hij ons naar de boerderij van zijn ouders brengt, vertelt hij over de toestand. Het Franse chauvinisme komt naar boven. Hij is er gerust in, Duitsland kan de oorlog nooit winnen.
De ouders lijken niet zo zeker van de goede afloop. Ze zeggen dat er al Duitse eenheden al in Arras en Amiens zijn. Ze maken zich klaar om gepakt en gezakt meer zuidwaarts een veiliger plaats op te zoeken. Bij het vertrek vraagt de boer ons of we een oogje in ‘t zeil willen houden. We mogen in de schuur slapen en de boerin heeft brood en twee emmers melk voor ons klaargezet. Een slaapplaats en eten en drinken naar believen. We vinden het hier zo slecht nog niet.
| DUITSE PANTSERS AAN ZEE |
WOENSDAG 22 MEI: BOURBOURG ~ LEFFINCKOUCKE
We beginnen de dag met een flink ontbijt. Op tafel ligt een stevig boerenbrood. Iemand van ons vijven is op inspectie geweest en komt terug met handen en zakken vol eieren. De twaalf eieren en het brood raken helemaal op en we drinken een ganse emmer melk leeg. Wat is het lang geleden dat we nog zo gegeten hebben.Toch blijven we niet. Om aan de greep van de Duitsers te ontsnappen, nemen we ook de richting die de boer met zijn gezin is gegaan.
We zijn nog maar enkele minuten op weg of we zien de boer met zijn gevolg terugkomen. De bruggen zijn gesloten, zegt hij. De Duitsers zijn al in Calais.Er is geen doorkomen meer aan, we kunnen niet naar Rouen. Verder trekken heeft geen zin, we keren terug. Boven Duinkerken stijgt zwarte rook op. We vinden het veiliger van de stad te mijden en zoeken een tweetal kilometer verderop, bij het dorp Leffrinckoucke, een boerderij op.
|
| TERUGKEREN IS ENIGE MOGELIJKHEID |
DONDERDAG 23 MEI: LEFFRINCKOUCKE ~ OOSTENDE
Als ontbijt drinken we melk en er worden aardappelen geserveerd. Onze tocht gaat over Adinkerke en Veurne naar Nieuwpoort. Daar kunnen we een rantsoen brood krijgen. In Koksijde treffen we Victor Bomans uit Beringen-Mijn aan1. Rond halfacht is er omstreeks halfacht een tram naar Oostende. Een soldaat uit Heppen, de broer van tante Céline, wenkt ons. We mogen mee. Dat is een meevaller.De tram rijdt soms vlak naast de kust. We kijken onze ogen uit. Voor het eerst in ons leven zien we de zee. Van op het balkon van de tram staan we stomverbaasd te gapen naar die brede, grijze massa.
In Oostende vangen militairen ons op. We worden ingelijfd in de Derde Compagnie van het Tweede Bataljon. We maken deel uit van de Achtste groep en logeren in het reuze Royal Palace Hotel. Een lege kamer op de derde verdieping is onze slaapkamer. Er staan geen bedden. We leggen ons neer op de harde en koude vloer.
![]() |
| BELGISCHE CAPITULATIE zaterdag 25 - dinsdag 28 mei
Het Belgische front aan de Leie wordt over de gehele lengte aangevallen. Het grondgebied dat nog niet in Duitse handen is, wordt steeds kleiner. Koning Leopold wil onnodige verliezen voorkomen en tekent op 28 mei de onvoor-waardelijke overgave. Van de 225.000 Belgen die krijgsgevangen worden genomen, zullen er ruim 70.000 - vooral Walen - tot het einde van de oorlog in gevangenschap blijven. De Achttiendaagse Veldtocht heeft aan 12.033 Belgen - 5.481 militairen en 6.552 burgers - het leven gekost. |
VRIJDAG 24 - ZONDAG 26: OOSTENDE
In Oostende zorgt een keuken van het Belgische leger voor mondvoorraad. Zelfs patates frites met biefstuk staat op het menu. Maar het water uit de waterleiding smaakt verschrikkelijk. Het lijkt of het gezouten is. Wie er van drinkt, krijgt hevige dorst.Vlak bij het Palace Hotel ligt de hippodroom. Daar is Louis Verpoorten, een kameraad uit onze straat, gehuisvest in een barakje.
Op het strand ziet Fik schepen en vliegtuigen mekaar bestoken. Bommen en granaten ontploffen in de zee. Wanneer ze gevaarlijk dichterbij beginnen te vallen, maakt Fik zich ijlings uit de voeten.
|
Op 25 mei behoort August Van Thienen uit Tessenderlo tot een groep van 800 jongeren die via Middelkerke naar Oostende zijn getrokken: ‘In Middelkerke stort een vliegtuig in zee, getroffen door het afweergeschut. Dit is een machine van diegenen die Oostende daar juist gebombardeerd hebben. Grote brand in de stad’ |
MAANDAG 27 MEI: OOSTENDE ~ SNAASKERKE
Belgische militairen brengen ons met een legerwagen naar Snaaskerke, een zestal kilometer buiten de stad. Daar blijkt het veiliger te zijn. We stappen uit bij een boerderij gelegen aan het Oostende-Nieuwpoort kanaal. Veel slaapruimte is er niet meer, er zijn al veel jongens ingekwartierd. Kieskeurig kunnen we niet zijn. We installeren ons in de kalverbox, die is nog vrij.
In de verte, aan de overkant van de uitgestrekte polders, ligt Oostende. We kijken toe hoe de havenstad door de Luftwaffe gebombardeerd wordt. Tegen de avond horen we zeggen dat het Royal Palace Hotel verschillende treffers geïncasseerd heeft. Dan huizen we nog liever in een kalverbox.
|
Op 27 mei overnacht A. Van Thienen uit Tessenderlo in een stal in Leffige, ook op 6 km van Oostende: ‘Vandaag wakker geworden door een geweldig bombardement. Eten en wassen. Heel de voormiddag bombarderen de Duitse vliegtuigen alhier de omstreken. Wij kunnen bijna niet buiten komen. Om 9 uur worden door Duitse vliegtuigen strooibiljetten uitgeworpen, ons aanradende alles over te geven. In de Franse en Engelse taal zijn ze opgesteld, alsmede een schets van het huidige front. Wij zitten hier helemaal ingesloten en zien weinig kans om nog te ontsnappen. Het leger zal zich waarschijnlijk moeten overgeven. Om 10 uur brood halen. Twee uur achtergebleven. Nog altijd maar vliegtuigen die de omstreken en vooral Oostende bombarderen. De hele dag door aanvallen van Duitse vliegtuigen. Tegen de avond komen drie soldaten van ‘t front bij ons liggen. Een bijzonder kwade dag. Er wordt gesproken over mogelijk huiswaarts keren. Slapen om zeven uur.’ |
|
ONVOORWAARDELIJKE OVERGAVE |
DINSDAG 28 MEI: SNAASKERKE
‘s Morgens gaan Pol en ik naar de bakker in het dorp, maar er is geen brood meer. Gelukkig helpt de boerin ons uit de nood. Ze schenkt koffie en legt een vierde van een zwart brood op tafel.
Rond halfnegen vernemen we dat België gecapituleerd heeft. Is dit nu goed of slecht nieuws? Sommigen verkeren in een bedrukte stemming, anderen lijken eerder opgelucht. Iedereen denkt onmiddellijk aan vertrekken. Er zijn al vluchtelingen op de terugweg. Maar het is beginnen te regenen. We besluiten om pas de volgende ochtend op te stappen.
