Verzameldepot Eeklo
|
DE DOORBRAAK vrijdag 10 ~ woensdag 14 mei De ganse verdediging aan het Albertkanaal is ontwricht. Het fort van Eben-Emael is uitgeschakeld en geeft zich de tweede dag om 12.30 uur over. Intussen rollen Duitse tanks over de bruggen van Vroenhoven en Veldwezelt en bereiken Tongeren. Het hoofdkwartier geeft bevel om de divisies aan het Albertkanaal op de KW-stelling terug te trekken. Op Pinksterzondag begint de grote terugtocht van het Belgisch leger. Tegen de avond van de vierde dag hebben de Belgische en geallieerde legers postgevat op de KW-lijn. |
ZATERDAG 11 MEI: BEVERLO ~ DIEST ~ SCHELLEBELLE
MET DE FIETS NAAR DIEST
Julien rijdt, ik zit op de stang. Op de bagagedrager hebben we een valies met ondergoed en eten voor een paar dagen.Wij zullen in Diest de trein naar Gent en verder naar Eeklo nemen.
Beringen-Mijn is verlaten en ook in Beringen schijnt iedereen vertrokken te zijn.In Beringen bewaken Belgische militairen de brug over het Albertkanaal. Het houtmagazijn van Christiaens staat in lichtelaaie. Het maakt een akelige indruk. We rijden groepjes zwijgende en gehaaste vluchtelingen voorbij. Tussen de bomen langs de weg is het erg donker. In Schaffen lijken wel alle huizen vernield. Pa heeft gezegd dat we de fiets best bij Firma Mommaerts zetten, dat is een verfleverancier van pa. Maar alles is gesloten. We rijden verder naar het station. De wachtzaal ligt vol slapende soldaten. In afwachting tot er een trein aankomt, leggen we ons bij hen neer.
We hebben ons in het station neergelegd en proberen te slapen, maar daar komt niks van. Omstreeks vier uur deelt de stationschef mee dat er een trein voor Leuven gaat binnenlopen. Inderdaad, na een paar minuten komt een locomotief aangereden, maar de machinist zegt dat het te riskant is om de wagons te gaan halen, de spoorweg is gebombardeerd en de rails verkeren in bedenkelijke staat.
Naarmate het lichter wordt krijgen we meer schrik. We verwachten Duitse vliegtuigen en voelen ons hier niet meer veilig. We willen weg van de spoorweg en al die soldaten, weg van het vliegveld van Schaffen zo dicht in de buurt.
|
Naast het minder zware bombardement op 10 mei - een uitloper van de luchtaanval op het vliegveld van Schaffen - krijgt Diest op 11 mei de volle lading. De eerste twee dagen van de oorlog vallen in Diest vier doden en drie zwaargewonden en worden 46 woningen vernield of zwaar beschadigd. |
OP ÉÉN FIETS NAAR EEKLO
We vatten het plan op om met de fiets naar Eeklo te rijden. De pakken worden op de bagagedrager gebonden en we zoeken de kortste weg.Omstreeks vijf uur vertrekken we. Het belooft weer een mooie dag te worden. We voelen ons fris, het gaat goed. Maar Scherpenheuvel lijkt toch meer op een berg dan op een heuvel. Om ons niet meer te vermoeien dan nodig is, stappen we af en gaan te voet tot voorbij de basiliek. Onderweg naar Aarschot fietsen ons jongens voorbij die ook naar Eeklo moeten.
Enkele kilometers voorbij Aarschot stappen we af, er hapert wat aan het stuur. We eten een paar boterhammen. In een nabijgelegen café willen we iets gaan drinken, maar het is te vroeg, de deur is nog op slot. Een buurman heeft ons opgemerkt, roept ons binnen, schenkt een glas bier in en zet het stuur van onze fiets recht. Voor Julien is het vermoeiend, maar urenlang op de stang zitten is ook niet gemakkelijk. We binden er een deken om, nu zit het wat comfortabeler. Onderweg rijden ons nog meer jongens voorbij die naar Eeklo moeten. Ditmaal zijn het studenten uit Lommel, maar we sluiten ons er niet bij aan. We blijven ons eigen tempo volgen en denken het zo langer vol te kunnen houden.
Vóór Mechelen stappen we af om Franse soldaten te laten passeren. Overal worden ze toegejuicht. Intussen zijn we doorheen de verdedigingslinie van de KW-stelling gereden, maar daar hebben we niks van gemerkt. We zoeken een plaatsje en spreken ons ‘brood voor 48 uur’ aan, dat we volgens de onderrichtingen mee moesten nemen.
We hebben een lekke band. Terwijl Julien de band herstelt, leg ik me wat te rusten, ik voel me niet goed. Van vliegtuigen hebben we geen last. Toch zijn ze aanwezig, hoog in de lucht. Wellicht zijn het verkenningsvliegtuigen die de troepenbewegingen observeren. Franse eenheden blijven onze weg kruisen. In Dendermonde moeten we weer aan de kant, want deze troepen, op weg naar Nederland, hebben natuurlijk voorrang.
![]() |
Dendermonde - Paardentransport van het Franse leger naar Nederland
Het is een mooie lentedag. Buiten de stad stappen we een café binnen om onze dorst te lessen. We vragen de herbergier of we ons mogen verfrissen, een flinke wasbeurt zal ons deugd doen. Een half uur geleden hebben twee jongens van Kwaadmechelen, op weg naar Eeklo, hier ook een glas gedronken.
Met het voornemen vandaag nog tot Eeklo te rijden, springen we weer op de fiets. Julien zet er alle krachten op, maar de weg is slecht. Zo is het niet vol te houden. We proberen het ook eens met van plaats te verwisselen, ik trappen en Julien op de stang, maar dat lukt niet, daar is geen beginnen aan.
Wanneer we om kwart over vijf in Schellebelle aankomen, 21 km voor Gent, hebben we twaalf uur op de fiets gezeten. We zijn allebei doodop. Julien, achttien, heeft 90 kilometer afgelegd met een zestienjarige op de stang.
We proberen in dit dorp een slaapplaats te vinden. De onderpastoor van Schellebelle, E.H. Lourdeau, zal ons wel een boerderij kunnen aanwijzen waar we een nacht in de schuur mogen slapen. De priester is een en al behulpzaam. We hoeven niet verder te zoeken, hij heeft voor ons wel een kamer vrij. Hij vraagt ons binnen te komen en de huishoudster dekt de tafel. Wat smaken de boterhammen en de koffie. Daarna trakteert de man ons zelfs op sigaren en wijn.
Onze voeten zien er nog steeds verschrikkelijk uit. Ze worden gewassen en verzorgd. De huishoudster heeft verband gehaald bij de dokter in het dorp. Om halfzeven wijst de priester ons de logeerkamer aan. Daar wacht ons een zacht bed. Zalig!
ZONDAG 12 MEI: SCHELLEBELLE ~ EEKLO
Vandaag is het Pinksteren. We staan om zes uur op om de mis van halfzeven bij te wonen. De kerk zit bomvol. We zoeken een plaats naast een paar pilaren achter in de kerk. Aan het einde van de mis breekt boven het dorp een luchtgevecht los. De mitrailleurs ratelen onophoudelijk. De mensen willen naar huis, maar de pastoor zegt dat het te gevaarlijk is, iedereen kan beter in de kerk blijven. Wanneer het gevaar geweken is, gaan we naar de pastorij.
Gisteravond, nadat we slapen waren, is er nog een priester uit Paal aangekomen die ook in de pastorij heeft overnacht. We treffen er eveneens zes jongens uit Geel aan die naar Eeklo moeten. Zij hebben op een boerderij in de buurt gelogeerd. Na het ontbijt vertrekken we.
Buiten het dorpscentrum, niet ver van de weg, ligt een Frans vliegtuig dat tijdens het luchtgevecht is neergeschoten.
Omdat we het tempo niet aankunnen zeggen we tegen de jongens van Geel dat ze op ons niet hoeven te wachten. Een Franse soldaat houdt ons tegen. Hij vraagt ons van binnenwegen te nemen. Er komen Franse troepen aan, op weg naar het noorden, en die moeten ongehinderd door kunnen rijden. Daarbij is het gevaarlijk, de colonne kan door Duitse jagers gemitrailleerd worden.
In een dorpje vóór Heusden bij Gent moeten we even halt houden omdat er een fietsband is beginnen te schuren. We krijgen gezelschap van André Blomme en Frans Quanten, twee jongens uit Leopoldsburg. André Blomme studeert aan de Technische School in Aalst. We blijven met ons vieren samen. Even voor Gent mogen we weer de grote baan nemen. Bij het uitrijden van de stad ontmoeten we de gebroeders Arthur en René Schaeken uit Koersel. Ze hebben al verschillende bombardementen meegemaakt.
In Mariakerke rusten we wat. Een vrouw schenkt ons een kop koffie in. Omstreeks drie uur komen we in Eeklo aan. Honderden jongeren vullen de straten en pleinen van de stad. De eersten die we aanspreken, vertellen dat ze in Eeklo niet weten wat ze met ons allemaal moeten aanvangen. Aan het gemeentehuis troept een massa samen en nog altijd komen er jongens toegestroomd.
De gemeentesecretaris en de legeroversten die voor de opvang moeten zorgen, zitten met de handen in het haar. Ze zijn radeloos.
Daar komt de veldwachter aan. Als de rattenvanger van Hameln trekt hij met een sliert jongeren achter zich aan van deur tot deur op zoek naar een nachtverblijf.
Het eerste huis waar hij binnenstapt is een hoedenwinkel in de Molenstraat. Blijkbaar is er geen plaats, er wordt niemand aangenomen en de veldwachter trekt verder. Met ons zessen blijven we staan, we beraadslagen wat we gaan doen. We vragen ons af of we wel een onderdak zullen vinden als we met heel die troep achter de man blijven aanlopen.
Terwijl we aan het overleggen zijn, komt de eigenaar van de winkel naar buiten. Hij zegt dat een van de jongens binnen mag en er kan blijven slapen. We vragen of er geen plaats is voor ons zessen. We mogen allemaal binnenkomen. De man toont ons zijn huis. Tenslotte geraken we op de zolder. Met dat slaapvertrek zijn we tevreden. Er is trouwens geen andere keuze. Als meneer naar zijn werk is op de fabriek, halen we bij een boer vijf schoven stro. Ze worden op zolder uitgespreid en de volgende nachten zullen we met ons zessen op deze stromatras slapen.
Wanneer de eigenaar thuiskomt, is het duidelijk dat hij niet erg opgezet is met onze paillasse op zolder. Bij de stad zijn al bommen gevallen.
|
Dat hebben vijf jongens uit Oostham ondervonden die op 11 mei in Eeklo zijn aan-gekomen en onderdak vonden in een spinnerij. ‘Wij maakten er een moeilijke nacht mee. Een uur lang bombardeerden Duitse vliegtuigen Eeklo, maar gelukkig bleef de spinnerij waar wij sliepen, gespaard.’ Het zou niet het laatste bombardement zijn. |
![]() |
-------------------------------------------
Georges Baillu, Molenstraat nr.4, Eekloo
Andre Blomme, Antwerpsesteenweg nr.256, Leopoldsburg - Ridderstraat nr.39, Aalst
Frans Quanten, Spoorwegstraat nr.31, Leopoldsburg
Arthur en René Schaeken, Vurten nr.129, Koersel

