WACHTEN DUURT LANG
VRIJDAG 9 AUGUSTUS
"Vandaag is het drie maanden geleden dat de oorlog begonnen is. ‘t Is ook zo lang geleden dat wij nog met de ganse familie samen waren. Dat drie maanden zo lang kunnen zijn, dat wisten we niet. Elk uur schijnt een dag, elke dag een week.
Aan het gemeentehuis is nieuws aangeplakt, zegt men. ‘t Is te warm voor een wandeling, maar we gaan er toch door om het goede nieuws te lezen. Inderdaad, daar staat dat alle Belgische vluchtelingen zich moeten gereedhouden om in te pakken en te vertrekken. Het begint ons aan te staan. Dat is toch officieel nieuws.
We kopen een dagblad. Daar lezen wij dat de Belgen nog niet mogen vertrekken! Wie moeten we nu geloven? Ik weet het niet meer.
We winkelen in passant, maar op de meeste ruiten staat met zeep geschreven: ‘Pas de café, pas de sucre, ne rien plus.’ Dan moet ge niet binnengaan. Goed dat er nog sigaretten te krijgen zijn, al zijn ze duur en slecht. Het eerste wat ik doe als ik in België kom is vast en zeker een goede, dikke sigaar roken. Maar daarvoor is het nog te vroeg."
ZATERDAG 10 AUGUSTUS
"Het schoon weer houdt aan. Van wandelen en hout rapen, daar komt vandaag niets van. Anders hebben we misschien nog hout te veel als we moeten vertrekken en dat zou spijtig zijn. Zoveel hebben de Fransen voor ons nu ook weer niet over gehad.
Wanneer we rond het huis slenteren en op de rotsblokken aan de kerk gaan zitten, komt de jongen van Scherpenheuvel af om wat te praten. En dat kan hij. Eerst vertelt hij nog eens over het bombardement van Scherpenheuvel waar zijn vader, moeder en een broertje in gebleven zijn, hun huis platgegooid werd en hij alleen overgebleven is. Nu zit hij in Montaigu, da’s ook Scherpenheuvel.
Hij beweert dat wij binnenkort weg zijn. Hij zegt dat hij in Valence d’Agen met n’n Antwerpenaar gesproken heeft, die per auto uit België was gekomen om zijn familie op te halen. Daar moeten wij niet op hopen, zo’n nobele familie hebben wij niet. Ten andere, zullen de brieven die wij naar ons dorpje gestuurd hebben, wel aangekomen zijn?
De jongen heeft er moed op. En wij ook."
ZONSAG 11 AUGUSTUS
"Om 9 uur mis in Bournac. Eigenaardig om te zien. De vrouwen die elk een weekblad ontvangen, zitten de ganse mis op hun achterste gestadig te lezen, juist zoals bij ons in een kerkboek gelezen wordt. De kosterin met hare grote strooien hoed heeft nog de meeste praat. En de misdienaars spelen of er bij de mis een pantomime hoort. Wat is het geloof in Frankrijk toch laag gevallen.
Na de middag wandelen we met ons vieren naar de bossen van La Dournie, waar ne gewone mens met de avond niet durft doorlopen, zo indrukwekkend is het daar. Een echte wildernis. Niet minder dan vier slangen hebben wij er geteld.
![]() |
1 Pastorie 2 D7 Weg naar Montaigu 3 La Petite Séoune 4 Bonnal 5 La Dournie
Wanneer we door het bos zijn, zien we op een heester schoon in de zon, een hagedis zitten van wel 40 centimeter lengte. Ik neem mijne stok en pardaaf, daar ligt ze al stuiptrekkend. Als ze zeker dood is en ik op haar staart sla, leeft nog alles wat er aan is. Rare dieren die ge liever niet langs uw broekspijpen omhoog laat kruipen.
Elise: In Frankrijk heeft onze pa genot gehad van de natuur. En hij interesseerde zich aan de gebouwen en zo. De liefde voor de natuur is ons met de paplepel ingegoten. De mannen hebben dat zo niet meegemaakt, die waren op school. Maar dat wandelen gaan ‘s zondags, naar de Boskant, naar Korspelhei, naar Dor van Reynder, dat waren altijd onze pa en ik.
In Frankrijk moesten we van de boer altijd ne stok meepakken als we gingen wandelen, want sommige slangen waren giftig, zei hij, en daar was niks aan te doen. Als ze de oogst gingen afdoen of als het gras lang was, waarschuwden ze ons altijd dat er slangen in ‘t gras konden zitten. Hier beneden was een grote weide waar regelmatig gehooid werd en waarvan de kosterin en de boer zegden: ge moogt daar niet lopen, daar zitten slangen in."
Ma: In onze hof stond aan de kant van Nijs een mutserdmijt. We hadden zeker wel 25 mutserds van onze boomgaard. ‘s Middags na het eten ging onze pa met u spinnen zoeken. Dan zei hij: zie eens hoe schoon ze hun web geweven hebben.
MAANDAG 12 AUGUSTUS
"Om zeven uur staan we op, want ons ma moet wassen zoals op alle maandagen. Om 8 uur koffie en om negen uur een brief van tante Bertine. Die maakt ons hart waterachtig. Zij hebben hun papieren voor België, maar moeten nog wachten op het vertrek in Toulouse van de achtste trein.
Wij zullen achtereen ook eens moeten uitzien voor papieren, want Louis schrijft dat de Limburgers voorgaan. Dat is juist het tegenovergestelde van wat hier gebeurt. Hier worden de Vlamingen zo goed gezien als n’n hond in een porceleinenwinkel. En die zouden voorgaan? Niet te geloven. Als we dat nieuws aan Nonkel Nand meedelen, zijn ze niet meer te temmen. Er moet kost wat kost uitgezien worden naar papieren, anders geraken we niet weg. We zullen hier nog moeten overwinteren als wij er niet voor gaan zorgen.
Geduld is een schone zaak, maar wachten valt lang, bijzonder als ge niet weet hoe lang ge moet wachten. Dat we vóór 15 augustus vertrekken, dat zal niet waar zijn."
DINSDAG 13 AUGUSTUS
"Niets aan te doen, morgen zullen we eens naar Agen rijden. Vandaag maken we nog maar eens een wandeling in deze streek, waar veel notenbomen groeien, vooral hazelnoten. Die worden gebruikt om er olie uit te trekken. Er zijn ook veel amandelnoten. Nooit geweten dat amandels zo op bomen groeien.
En dan de wijngaarden, hectaren en hectaren groot. Nu zien we wat een schone en grote trossen eraan hangen. En verder slangen met de vleet. Het krioelt van grote en kleine waterslangen, zodat we ons voeten bijna niet durven wassen. Otters waar wij wel eens van hebben horen spreken, dassen, dat schone dier waar de boer soms jacht op maakt en vossen met de macht. Sommige boeren verloren 40 hennen op veertien dagen. Hagedissen met duizenden. Die ziet men overal, zelfs in huis. Maar grote groene van veertig centimeter zijn er niet zoveel. De natuur is rijk aan schoonheid. Als we hier eens mochten samenzijn met gans de familie, in tijd van vrede, wanneer er geen gebrek is aan zovele dingen."
Jean: Auguste Vignoles had in de grote oorlog bij Verdun gevochten. Hij werd er door gas aangetast en is later krijgsgevangen gemaakt. Hij vertelde dat hij een goed schutter was, de beste van zijn compagnie, en daarvoor een medaille had gekregen. Dikwijls hebben wij Vignoles met zijn jachtgeweer verborgen onder z’n jas de wildernis zien intrekken. Terwijl wij ginder waren, heeft hij eens een wilde kat geschoten.
WOENSDAG 14 AUGUSTUS
"Vandaag rijden Nand en ik naar Agen, 50 kilometer door de stikhete zon, om papieren voor ons vertrek naar België.
Als wij in Agen aankomen moeten we in de rij aanschuiven en dan papieren invullen. Na enige dagen zullen ze opgestuurd worden. We betalen 400 frank de man. Voor ons 1600 frank, voor Nand 2800 frank, voor Peteren 400 frank. Ja, alles samen voor bijna 5000 frank. Dat betekent dat we nog liever betalen om thuis te gaan werken dan om hier te blijven zalig nietsdoen.
Als alles in orde is eten we onze boterham op met een paar peren die drie frank per stuk kosten. Daar zien we ook boter aan het venster liggen. We gaan binnen en ‘t is gepakt. Voor ieder een pond boter, dat bij ons zo moeilijk te krijgen is. En nu blij naar onze familie, die zullen zitten wachten op het nieuws. Als we thuiskomen, vertellen ze dat op de gemeente is aangekomen, dat alle Belgen vóór 25 augustus gratis kunnen vertrekken.
Wat nu gedaan? Op de duur zullen we nog tweemaal tegelijk kunnen vertrekken."
DONDERDAG 15 AUGUSTUS
"En zeggen dat het met Halfoogst bij ons grote kermis is. Nu zal dat wel minder zijn. Wat een verschil toch. Hier in ons kerkje is ‘t ook kermis. Het zit stampvol, iets wat vroeger nooit gebeurde. In ‘t begin kwamen zowat 8 of 10 vrouwen naar de kerk. De pastoor spreekt alle lof over ons. Maar het zal niet blijven duren, alles zal weer terugvallen zoals het vroeger was.
Na de middag maken we een wandeling naar Saint-Vincent, ook een parochie van Montaigu, zoals Bournac, maar nog armzaliger. Na de vallei zoeken we een binnenweg door het houtgewas. Een oud karrespoor leidt ons naar boven waar we enige huizen en een paar torens zien staan.Wanneer we naderbij komen, stellen we vast dat die torens niet van de kerk zijn, maar van een grote hoeve met veel gebouwen. Achter een ouwe windmolen met nog twee wieken ligt een armzalig kapelletje waar nauwelijks 80 man in kan. Als we de stoelen bekijken, zien we dat er zo’n 8 à 10 gebruikt worden. De anderen zijn door spinnen in beslag genomen. ‘t Is zo vuil en slordig dat het meer op een ouwe zolder gelijkt.
Maar tien mensen van zo’n gehucht die op deze grote dag naar de kerk komen.
Op onze terugtocht plukken we braambessen, die staan hier genoeg. Als we met ons vieren volop bezig zijn, steekt een slang van meer dan twee meter hare kop door de struiken. Wij wensen haar geluk en besluiten toch maar om verder te gaan. Onderweg komen we bij een schaapherder. Iets schoons voor ons Yvonne. We drinken wat, kopen een fles wijn en wat amandels en zijn weg."
![]() |
De sierlijke en voor de mens ongevaarlijke Esculaapslang is de langste slang van Europa. Ze kan tot 2 meter lang worden en komt in Midden-Frankrijk voor. Deze zeer behendige klimmer leeft vooral op zandige, droge en meestal stenige terreinen met heesterachtige begroeiing en voedt zich met kleine knaagdieren (muizen), hagedissen en nestjongen. |
VRIJDAG 16 AUGUSTUS
"Binnenkort gaat er toch iets van komen. Alweer wat nieuws. Iedereen moet zijn eenzelvigheidskaart naar het gemeentehuis brengen om het nummer te laten opschrijven. Ons ma die hare pas verloren heeft, zit in nesten. Niets aan te doen, zegt men. Zij moet naar de Belgische consul in Montauban om ne nieuwe pas. Begin daar maar eens aan, 70 km en gene spoorweg. Wat nu gedaan? Gelukkig denken we aan onze rantsoenkaarten, daar staat ook het nummer op. Nu een foto laten maken, een paar dagen wachten, dan 13 zegels plakken. Alles wordt opgestuurd en ‘t zal in orde komen. Als die papieren nu maar terug zijn voor we moeten vertrekken.
Dus nog maar eens wandelen en braambessen plukken om confituur te maken zodat we na de middag ons boterhammen kunnen smeren."
ZATERDAG 17 AUGUSTUS
"Terwijl ons ma naar de photo-artist is voor haar portretten, maken wij hier aan ons kerkske iets eigenaardigs mee.‘t Is mis zoals ‘s zondags, maar nu worden de koeien en stieren gewijd. Op ‘t einde van de mis krijgen de mensen gewoonlijk brood, maar nu is het de beurt aan de dieren. Die krijgen elk een stuk groene maïs. Wat een geloei en gebrul rond dat kerkske. Als de mis uit is, keert elke boer met zijn vee naar huis. Wat ge hier toch allemaal hoort en ziet. Op de duur gaan ze de vlooien nog wijden!
| Feest van Saint-Roch
Deze heilige is altijd heel populair geweest in le Quercy. 16 augustus is de heiligendag van Saint- Roch, maar de feestdag wordt de volgende zondag gevierd Op die dag gaat de pastoor na de mis naar buiten om zijn zegen te geven aan ossen, koeien, geiten, schapen en paarden die zelfs door de minst getrouwe kerkgangers naar het dorpsplein gebracht worden. (E.Mollison) |
Ja, vlooien zijn hier met de macht. Wij hebben nog veel geluk. Iedere nacht ten hoogste een stuk of drie, vier, vijf, wat een laag record is. Er zijn mensen die spreken van 20-25 en meer per nacht. Tante Louise komt ook over het dozijn. Peteren niet veel minder. Ons Elise bijna geen.
Vlooien vangen en wijn drinken, dat hebben wij in Frankrijk geleerd. Maar hoe kan het anders: stikkend heet en honden met de macht, iedere boer heeft er drie, vier, vijf. En dan de was. Als ze ‘s zaterdags of ‘s zondags hun hemd uittrekken, gaan ze er eens mee naar de beek, het wordt wat op de haag gehangen en ‘t is klaar. Beddelakens wassen kennen ze hier niet. En zo leven de mensen hier onbekommerd en vuil, al beseffen zij dat niet."
|
De mannen dragen langgemouwde overhemden. Die stinken zo van het zweet dat je op twee meter afstand de zure scherpe lucht kan ruiken. De meeste dorpelingen voelen nooit water aan d’r lijf. Toch zijn ze nooit ziek, dus wat de gezondheid betreft, daar hoeven ze het niet voor te doen. (E.Mollison) |
Elise: Roger, de zoon van Vignoles, zei dat hij niet kon verstaan dat wij geen vlooien kenden. Als ik Peteren zijn bed ging opmaken, zag ik de klein vlooikes over de matras lopen. Daar jongden de vlooien in ‘t bed. Ik moest de strozak van Peteren omdraaien en te goei slaan, maar dat heb ik maar ene keer gedaan. De klein vlooien kriebelden gelijk ik weet niet wat. Sindsdien heb ik het deksel altijd maar gauw toegeslagen. Maar Peteren zei niet: ik zie af van de vlooien. Nonkel Nand ook niet. Maar tante Louise moest haar hemd ‘s nachts uittrekken, anders kon ze niet slapen van de vlooien.
ZONDAG 18 AUGUSTUS
"Mis om 9 uur zoals gewoonlijk. Twintig vluchtelingen, twaalf vrouwen en twee kinderen. Geen mansvolk. De pastoor die ook van ons vertrek gehoord heeft, predikt schoon en bedankt de vluchtelingen in het bijzonder.
Na de mis komt hij nog wat praten, al is hij moeilijk te verstaan. Hij denkt ook dat het de laatste keer is dat wij er bij zijn. Om vier uur vespers en processie tot voorbij onze villa. Die zondag ontving Jean van de pastoor van Gouts de ‘Kleine Catechismus’ als aandenken aan het verblijf van onze familie in Bournac.
![]() |
![]() |
Na de middag maken we een wandeling naar het dorp, want iedereen is benieuwd of er geen nieuws is over onze terugreis. Men bevestigt dat we zeker deze week vertrekken. Wat een vreugde zal het zijn als we terug in Beverlo komen en onze jongens gezond mogen terugzien. En ons huis? Dat is toch maar bijzaak in oorlogstijd. Men spreekt van pakken maken alsof we bijna weg zijn.
De dorpelingen beginnen nu ook te spreken. En met reden, de voorbije maanden zijn voor de winkels gouden tijden geweest. De soldaten bijna weg en nu ook de vluchtelingen. Dan is het weer zoals vroeger. N’n armzalige schoenmaker, nog kleiner dan Jefke Thoelen van Beverlo, is op die tijd n’n type geworden. Veel, heel veel verkocht en dikke prijzen gemaakt. Maar het kan ons niet meer schelen, het geld was van hier, ‘t mag hier blijven."
MAANDAG 19 AUGUSTUS
"Eerste grauwe herfstdag. Mist en koud weer ‘s morgens, maar overdag is het extra schoon. De briefdrager vertelt dat alle Belgen om drie uur naar ‘t gemeentehuis van Montaigu moeten komen. N’n afgevaardigde van de consul komt om alles in regel te brengen voor het vertrek op ‘t einde van de week. God zij dank, als dat waar mocht zijn.
Alleman er naartoe. De man legt alles uit voor de reis, wat we zoal mogen meenemen en zo meer. Ook zegt hij van de pakken gereed te maken met het adres van België erop. We vertrekken per autobus tot Valence d’Agen en dan per trein tot Brussel. Verder weet hij het niet. Hij denkt dat het Belgische Rode Kruis dan voor ons zal zorgen.
Ja, ja, er gaat iets van komen. Als we terug in Bournac zijn, wordt er aan de pakken en adressen gewerkt. Ik ga nog eens gauw naar Montaigu om een grote valies bij te kopen, dat is altijd gemakkelijk. Onze Nand volgt mijn voorbeeld en is ook weg om er een bij te halen.
Alleman is goed gezind, zelfs onze pa, die hier nochtans in de hemel is. Er wordt over niets anders meer gesproken dan over Beverlo. Men begint op thuis te denken en met reden. Hoe zullen we alles terugvinden en in welke staat. Wie zullen we terugzien en wie zal op het appel ontbreken?"
DINSDAG 20 AUGUSTUS
"Om 10 uur dodenmis voor de gesneuvelden van Bournac. Drie missen achter elkaar en dan nog het officie van de doden, tweeënhalf uur lang. Voor de laatste keer kan het nog.
En nu inpakken. Onze Elise en ik gaan winkelen om ons Frans geld wat te doen minderen. Een paar hemden en voor onze Jean en Elise een horloge. Iets dat voor onze Jean van pas komt en ons Elise hier wel verdiend heeft. Met het verschil in geld komt het niet te duur.
Peteren is zo blij als een kind. Hij zingt een oud liedje voor de kleinen die niet uitgepraat raken over onze speelreis naar het zuiden. We hadden bijna niets bij en toch is er veel om in te pakken. Onze Pa verkoopt zijn rijwiel aan onze boer voor 25 frank en een fles wijn voor onderweg. Omdat we toch al genoeg te sleuren hebben, oordelen wij van den ouwe velo van ons Yvonne ook maar te verkopen. Ons Elise brengt hem aan de man voor honderd frank.
Tegen de avond maken we nog een wandelingske en plukken wat braambessen. Die zijn zo goed niet meer, nu we aan huis denken. Als er maar niets meer tussenkomt, want ik heb mijn werk met ons Yvonne te antwoorden die zoveel en zo’n rare vragen stelt.
Nu Peteren zijn pak nog maken en dan is alles klaar voor de reis."
WOENSDAG 21 AUGUSTUS
"Nu wat anders. Alle gezinshoofden moeten naar de post om iets in te vullen. Waarvoor het moet dienen, weten we niet. Nu, het kan ons niks meer schelen, als we maar weg zijn. Dan is onze vakantie uit die we in het midden van de zomer doorgebracht hebben, hier in deze armoedige streek onder de hete zuiderzon van Frankrijk. Wat de oorlog betreft, daar horen we omzeggens niets meer van.
Na de middag ga ik met ons Yvonne een wandeling maken. Als we aan ‘t braambessen plukken zijn, zie ik een soort kikvors die van tak tot tak springt. Nooit geweten dat zo’n dier bestond. Ne slanke kikvors, groen van kleur, vanonder wat bleker, veel gelijkend op een blad van de haag. Dat moeten we nog eens aan de boer gaan vertellen. Hij zegt dat er enkele bestaan, maar dat hij niet elk jaar er eentje ziet. ‘t Is toch spijtig als we die braambessen moeten achterlaten, zegt ons Yvonne. Ze beseft niet dat wij voor meer dan honderdduizend franken hebben moeten achterlaten om te gaan vluchten. ‘t Is te hopen dat niet alles verloren is."
![]() |
![]() |
Bidsprinkhaan en Boomkikker
DONDERDAG 22 AUGUSTUS
"Nu alles ingepakt is duurt het wachten nog langer. Als dat lang gaat duren moeten we nog uitpakken om van ondergoed te verwisselen.
Vandaag uitbetaling zoals gewoonlijk. Men had ons verteld dat er dan zou gezegd worden wanneer we mogen vertrekken. Mis! Men geeft ons slechte moed. Het zal zeker niet voor de eerste september zijn. Als het daar maar bij blijft, dan gaat het nog.
We kunnen misschien nog wat fruit plukken en verzamelen voor de winter. Ik heb nochtans het voorgevoel dat het goede nieuws nog in augustus zal komen. In Montaigu is ons ma hare pas nu eerst in orde. Hij moet nog naar Montauban gestuurd worden en nog voor ons vertrek terug zijn.
Op onze avondwandeling zoeken we nog altijd naar een eigenaardig diertje. Men zegt er ‘Mante religieuse’ tegen. Een soort sprinkhaan, al kruipt het dier. ’t Is niet zo dik als een strohalm met poten voor en achter. Zo dun als een stopnaald en zeker zo lang. De boeren zullen het voor ons zeker niet zoeken, want ze hechten er een bijgeloof aan. Ocharme!"
VRIJDAG 23 AUGUSTUS
"Lang slapen gaat niet meer, we denken te veel en het duurt te lang eer er nieuws komt. Ik ben er wat gerust in. Jules Goovaerts zal zeker terug in België zijn en naar onze jongens geschreven hebben. Die zullen aardig opkijken als ze alles vernemen van hem en van onze samenkomst in Toulouse.
De tijd valt lang. Langs de kleine waterlopen heb ik gisteren nog een nieuwe vlinder gezien. Ik zal trachten er nog een paar te vangen. Ons netje wordt weer in orde gebracht en ik ben weg, alleen. Tegen de middag heb ik er al twee. De vlinders zijn wel ingepakt, maar we zullen toch nog moeten uitpakken, want het nieuws blijft achter.
Onze Nand en Jean en André zijn aan het vissen gegaan in de grote beek, waarschijnlijk omdat ze zich ook vervelen. Altijd maar op die gemaakte pakken zitten kijken.
Ze kunnen het al. Drieëntwintig stuks van de eerste keer, visjes zo groot als ne pink. De boerin maakt ze gereed om op te eten, al zijn ze zo klein.
Verder ga ik twee tot driemaal naar ‘t dorp om nieuws, maar ‘t is altijd hetzelfde: wachten en nog eens wachten. Ook van Agen, waar Nand en ik naartoe geweest zijn, komt geen nieuws. Dat ook die papieren zo lang wegblijven."
Jean: Een belangrijk tijdverdrijf is wel het vissen in de Séoune geweest. Dit is een beek van drie tot vier meter breed. De diepte is afwisselend, op sommige plaatsen een paar meter, maar meestal een halve meter. Op de bodem groeien allerhande planten en kruiden waartussen vissen en waterslangen van een veertigtal centimeter leven. Overdag durven de vissen zich in open plaatsen wagen, waar het water ook sneller vloeit.
ZATERDAG 24 AUGUSTUS
"Alweer een week voorbij. De boer vraagt om nog wat te komen werken, want gij geraakt seffens toch nog niet weg, zegt hij. Ik geloof het ook niet. Op de duur gaat de vakantie van de jongens voorbij zijn. Anders hadden we nog een paar dagen kunnen samenzijn om van beide kanten te vertellen wat we meegemaakt hebben.
We zullen maar gaan werken in het werkhuis van de boer. Stelen maken, iets waar de boeren van houden, want wat ze hebben, dat trekt nergens op. We verdienen er ne goede middag mee: een goede soep met brood, poten en aardappelen onder elkaar gestoofd, met konijn extra fijn, daarna hesp gekookt of gebraden met brood en wijn.
Dan eendenvlees met brood en wijn natuurlijk. Verder nog wijn en als we wat gepraat hebben ne goeie koffie met eau-de-vie en suiker. Om te besluiten eau-de-vie alleen, ook met suiker, anders is hij veel te sterk. Zo eindigt de middag die tenminste twee uur geduurd heeft.
We rusten tot vier uur voor er weer wat gewerkt wordt. ‘s Avonds krijgen we zowat de helft van ‘s middags, maar wijn is er evenveel bij. Ons Elise is gaan winkelen maar ze heeft niets bij dan vlees en brood. Geen spek of boter, geen margarine, koffie, suiker enz. al is het hier geen oorlog. En dan patatten, 4 fr voor ne kilo!"
ZONDAG 25 AUGUSTUS
"Weer is het zondag geworden. Er wordt een pak of twee geopend om van ondergoed te verwisselen. Weer zoals gewoonlijk naar de mis. Om 9 uur beginnen de geburen al te vragen wanneer we vertrekken, maar wij weten het ook niet. Nu zien we toch dat het volk van ons houdt. Zij zouden liever hebben dat wij hier blijven, iets wat wij wel niet verlangen.
Na de mis gaan we naar ‘t dorp om nieuws. Dat klinkt niet al te goed. Men zegt dat het de twaalfde september zal zijn. Al zuchtend zeggen we ondereen: nu nog wat liegen, dan duurt het nog een maand. Nee, dit is geen vakantie meer. Het lijkt meer op een ballingschap.
Eerst door de vallei, dan langs smalle, kronkelende wegen, door bos en gewas waar de zon nauwelijks doordringt. Aan de ene kant begroeide bergen, aan de andere kant een diepe afgrond met slingerplanten tot 20 meter hoog en met een doorsnede van 3 tot 5 cm. Goed voor Tarzan. En dan de slangen die daarin huizen. Schoon is het wel, maar griezelig."
![]() |
Na een middag naar La Dournie, waar de vluchtelingen van Lier zitten. ’t Is een oude nederzetting met een paar boeren en een schaapherder met 60-70 stuks, op een plek boven op een berg in de wildernis.’s Avonds zou ik hen liever niet gaan bezoeken door dat gewas. |
MAANDAG 26 AUGUSTUS
"Waar ik vandaag, op 26 augustus, aan denk: het is juist een jaar geleden dat wij onze moto aan het Belgisch leger hebben ingeleverd. Wanneer zal men ons uitleveren?
Om alles door te zetten breng ik een bezoek aan De Schutter. Hij woont in Belvèze, zes kilometer van Montaigu, alleen met zijn familie in een oude boerderij. Hij zit nog armzaliger dan wij. De boeren zijn er wel beter. De familie krijgt aardappelen, bonen, erwten, wijn en zo meer. Hij zegt dat wij de eerste of de tweede september mogen vertrekken. Deze week nog, daar is hij zeker van. Dat nieuws is toch beter dan dat van gisteren, want men zou de moed verliezen met al dat gepraat. Vandaag goed, morgen slecht, overmorgen weer wat anders.
Vissen en wandelen, zo gaat de tijd toch om."
DINSDAG 27 AUGUSTUS
"Alleman is vandaag goed gezind door dat nieuws van gisteren. Het weer is schoon maar laf, juist of het na de middag zal gaan regenen.
Als we gegeten hebben gaat alleman vissen. Ik ook vang er zes, en grote, de langste is wel zeven centimeter. Jeanke heeft er 53! En nu naar huis. Zij maken de hunne gereed met de mijne erbij.
Na de middag begint het te regenen. Dat hadden we verwacht. Met zo’n weer is het droevig op ons gehucht dat vroeger werd bewoond door oude Galliërs in de rotsen. Waren die hier maar weggebleven, dan stonden er nu geen oude schuren, waar vluchtelingen in moeten wonen , waar het door regent als door een zeef en de hagedissen vanbinnen zowel als vanbuiten tegen de muren oplopen."
WOENSDAG 28 AUGUSTUS
"Vandaag is er weer ander nieuws. Nu zegt men dat het voor de 5de of de 6de zal zijn. Dus nog een paar dagen geduld. Het ergste is dat een paar dagen hier soms veertien dagen duren. Morgen zullen we meer weten, dan komt de afgevaardigde van de consul.Ons ma heeft er moed in. Zij gaat in gezelschap van ons Elise, haar haar in orde laten brengen voor de terugreis. Goed en wel, als het maar niet te rap is.
Tegen de avond weer maar wandelen en een paar boeren bezoeken. ‘t Is niet zeker dat wij hen nog zullen zien. Daar krijgen we voor het eerst melk. Een liter. Ons Yvonne mag haar goesting eens drinken. Als zij n’n halve liter zonder te stoppen uitdrinkt, bezien de boer en de boerin mekaar eens ferm. Dat deed haar deugd na drie maanden derven."
DONDERDAG 29 AUGUSTUS
"De moed is er toch nog niet helemaal uit. In de voormiddag is het uitbetaling. Alleman blijft staan en iedereen denkt iets te weten. De ene vertelt dat wij zondag vertrekken, een andere zegt de 15de en zo horen we weer van alles.
Na de middag rijden we met ons tweeën en ene van Brussel en ene van Aarschot naar Roquecor. Daar woont de afgevaardigde van de consul voor de Belgische vluchtelingen.
Die is vandaag naar Montauban om de reis te regelen. We zijn te vroeg. Als hij eindelijk aankomt, bestormen de mensen den autobus om nieuws. De man zegt: de 5de of de 6de, heel zeker voor de 10de.
Onderweg beginnen we te praten. Er wordt afgesproken om morgen zelf, met die heer van Brussel, eens naar Montauban te rijden. Dan zijn we zeker van onze reis. Anders zitten wij hier in de winter nog en zijn we zeker bij de allerlaatsten.
| Inderdaad, met de voorlaatste trein die uit het departement Tarn-et-Garonne vertrekt, zal de familie naar België weerkeren. |






