WERKEN BIJ DE BOEREN
![]() |
BOURNAC EN ZIJN BEWONERS
Jean: "Onze verblijfplaats is een pastorie (1) Hier zullen we blijven tot we naar ons land terugkeren. Over ‘t algemeen is ons huis goed gelegen. Van voren wordt het beschermd door een rotsachtige berg (2) die tientallen meters hoog is. Aan de achterkant staat een kerkske (3) met enkele hoge bomen. Zodus zitten we veilig voor wind en onweder.
Achter het kerkhof ligt de boerderij van Auguste Vignoles (4), de boer die ons het eerst ontvangen heeft. Naar de kerk toe bevindt zich een groot herenhuis (5) dat onbewoond is. In dat huis, een beetje lager gelegen dan wij, logeren de Parisiens.
Voor ons huis loopt een weg die gebruikt wordt door auto’s en fietsers. Deze laatsten kunnen de weg oprijden als ze een goede fiets en sterke benen bezitten. Wanneer we nu langs deze autoweg afdalen, komen we een vijftigtal meter verder aan een huis (6), waar madame Raymond (Ramon) woont, door ons ‘de kosterin’ genoemd. Deze vrouw woont daar met haar man. Vroeger hebben ze geboerd, maar nu werkt de man bij Mi Kell (Miquel). Die heeft een grote boerderij, een 500-tal meter daarvan verwijderd. Elke zaterdag gaat de kosterin de kerk opkuisen en alles in gereedheid brengen, ze luidt voor de mis enz."
Elise: In 1940 was de weg langs de kosterin veel, veel smaller dan nu. Een witte mergelweg. Die wegen waren kiezelwegen van stukken steen en zo. Grind met losse stenen, heel wit, dat pikte op de duur in de ogen.
Jean:"Gaan we van ons huis een vijftigtal meter bergop, dan komen we aan een oude school (7), waar geen les meer gegeven wordt. Het gebouw bestaat uit verschillende kamers, de banken en het schoolgerief bevinden zich nog in goede staat.
Van de school bergop komen we na een paar honderd meter aan een grote boerderij (11). Deze hoeve is een van de grootste in de omtrek. Wij noemen de boer (Cazassus) gewoonlijk de boer daar bovenop. Hij woont er met zijn vrouw en pasgeboren kind. We hebben er allerlei eten gehaald, eieren, carotten, aardappelen enz. Daar aangekomen zijn we eindelijk op het hoogste plateau. Verderop strekt zich een effen hoogvlakte uit, met hier en daar een klein dal.
Een honderdtal meter verder staat opnieuw een boerderij (12), maar deze is heel wat kleiner. Men ziet dat het werk hier al meer verwaarloosd is, de vader is soldaat. De vrouw en een jongen van veertien (Jean Rioux) - wij noemen hem ‘Jean de Hazemond’ - doen er het werk.
Wanneer we daar staan zien we in noordelijke richting een landschap waarin zich talrijke gehuchten genesteld hebben. Hier bovenop strekt zich een dorre grasvlakte uit, gemengd met stekels, waartussen veel rotsblokken liggen. Eigenaardig is wel dat de velden en weiden afgebakend zijn met een halve meter hoge muur van opgetaste stenen. Die stenen muur moet daar de hagen en de prikkeldraad vervangen.
Veel velden en weiden die voor de oorlog bewerkt werden, liggen nu braak. Bomen, zelfs fruitbomen staan onregelmatig in velden en weiden, maar men treft er ook goed geordende en onderhouden boomgaarden aan.
Draaien we bij Rioux linksaf, dan komen we na honderd meter aan de grote boerderij van Souce (Souques) (13). Hij woont er met zijn vrouw en twee dochters. Deze man heeft zelfs een mooie luxe-auto waarmee hij elke zondag naar Montaigu rijdt. Enkele honderden meter verder ligt de hoeve van Miquel (14), waar de man van de kosterin werkt. Als we over de rotsen naar Miquel gaan, komen we aan een grote cementen bak (15) die gevuld wordt met water dat vanonder een rots uitgevloeid komt.
Keren we terug naar Vignoles en dalen we af langs de binnenweg. Waar die op de weg naar Montaigu uitkomt, staat nog een grote boerderij (18). Hier woont de boer daaronder, monsieur Alazard met zijn vrouw en hun zoon Raymond. De binnenweg loopt dwars door de gebouwen. Langs de linkerkant bevinden zich de koeienstallen en een waterbron. Ook staan daar de wagens en het andere gerij. Het woonhuis aan de rechterkant heeft als herenhuis dienst gedaan. Een schone hof waarin we allerlei bloemen aantreffen, omringt dit gebouw. Op deze hoeve zijn we eieren, aardappelen enz. komen halen en wijn, wanneer Vignoles geen wijn meer te veel had."
Elise: Die boer had ook de beste wijn. ‘La Faverie’ was een grote, welvarende boerderij, de eerste die mechanisch is beginnen te werken, volgens Vignoles. Ze werd door eigen volk uitgebaat. De zoon, Raymond Alazard, was in 1940 negentien jaar, eerder stil en gesloten van aard. Ne goeie jongen die al vroeg hard moest werken.
Daar gingen wij soms melk halen en eieren. Er liep een gracht door het gedoe, naar de beek toe. Dat zat daar vol schoon eenden en ganzen.
In 1984 zagen we een boer aan het werk in zijn wijngaard. Het was Raymond Alazard, het evenbeeld van zijn vader in 1940.
|
Dalbewoners en Hooglanders ‘De riviermensen en heuvelbewoners spreken van die ‘daarboven’ en van die ‘daarbeneden’. Er zijn vele verschillen in levenswijze tussen de laaglanders en de bewoners van de plateaus, al zijn deze verschillen voor een buitenstaander nauwelijks te merken.’ (E.Mollison) |
Jean: "Voor we langs de binnenweg aan de hoeve van monsieur Alazard komen, draait er nog een kleine weg linksaf. Een dertigtal meter verder staan twee huizen. Het ene (17) hoort toe aan Yvonne Cantelouves, haar man is soldaat.Daar zijn drie kinderen: Yvonne, een meisje van tien en twee kleinere jongens, André en Louis, de jongste is één jaar.
Steken we bij de boer daaronder de steenweg over en volgen we de kleine weg, dan komen we dadelijk aan een wasbak (19). Als het goed weer is, wassen we ons hier bijna elke zaterdag. Wat verder stroomt een beek, genaamd de Séoune (La Petite Séoune). Als we links afdraaien komen we aan een verlaten huis dat vast tegen de beek ligt. Daarbij hoort een watermolen (20). Hier houdt een sluis het water van de beek tegen. Een waterval laat het water van vier meter hoog in een diepe ronde poel vallen en van daaruit loopt het dan verder. Voor de sluis is de beek wel bijna tien meter breed en ook zeer diep. Een vijftigtal meter stroomopwaarts komen dikwijls jongens van Montaigu zwemmen.
![]() |
Vertrekken we opnieuw van ons huis, bergaf, in de richting van de kosterin. Op de grote weg naar Montaigu gekomen, een honderd meter verder , is er naar rechts een kleine weg die naar Bonald (Bonnal) (22) loopt. Deze boerderij ligt halfweg een berg, op tweehonderd meter van de grote weg. Eenmaal over een stenen brug, begint de weg fel te stijgen en boven gekomen, voelt men het goed in zijn benen. De boerderij is op dezelfde wijze ingericht als alle andere hoeven. Achter de stallen staat een grote en diepe waterbak waarin goudvisjes zwemmen en de beesten komen drinken. De familie bestaat uit de oude Bonnal en meneer Sahuc - een oudstrijder die in Ieper gevochten heeft - zijn vrouw en hun dochter Marie-Jeanne. Op deze hoeve hebben mijn broer en ik lange tijd gewerkt. Achter het huis, na steeds bergop te klimmen, bereikt men het bovenste gedeelte van de berg. Ook op deze hoogte strekt zich een effen vlakte uit, waar nog verschillende boerderijen staan.
Terug op de grote baan, waar de weg van Bournac uitkomt, nemen we links de weg, in dezelfde evenwijdige richting als die naar Bonnal. Na een lange weg en een grote draai komen we eindelijk in La Dournie (24). Dit gehucht bestaat uit een zevental huizen, meestal boerenwoningen. Daar zijn ook vluchtelingen gehuisvest, een familie uit Lier (Tistje de kleermaker) en een jongen uit Scherpenheuvel. Deze jongen kwam meermaals bij ons op bezoek. Wij noemden hem ‘Officieel Scherpenheuvel’, omdat hij zogezegd altijd alles wist.
Draaien we aan de grote weg rechtsaf, dan belanden we in een gehucht, dat ... (Lacoste) heet (25). De huizen zijn gebouwd juist halverwege de berg en op eenzelfde lijn. Een vierde van deze huizen staat leeg en sommige zijn reeds vervallen. Ook daar zijn Belgische vluchtelingen, onder andere uit Gent, ondergebracht."
DONDERDAG 27 JUNI
"Om zeven uur sta ik op om voor ons ma te zorgen, eer het vuur ingenomen wordt om koffie te maken voor ons allen. Nu moet ik eerst en vooral een brief schrijven naar Jules in Toulouse want die zit te wachten op nieuws. Ik had hem beloofd van te schrijven als het nog mogelijk zou zijn, maar met de zieke is dat helemaal vergeten gebleven.
![]() |
We gaan werken bij Soucken (Souques), ne boer boven op de rotsen. Souques is ook n’n oud-strijder van 14-18. Om twaalf uur hebben we gedaan, ‘t waren maar vier zagen. Toch brengt het ons ne filet nieuwe patatten op en ne ferme bussel salade. Nu naar huis om middag te eten. |
De boeren zijn tevreden over ons werk, het nieuws doet de ronde. Na de middag moeten we naar Bonnal aan de overkant van de vallei.
‘t Zijn ook goede mensen. Als we rond zes uur thuiskomen, vertellen André en Elise, die naar het dorp geweest zijn, dat wij binnenkort naar Beverlo kunnen. Dan denkt men er wel eens over na, waar ons dorpje ligt en hoe gelukkig wij er waren.
Ons ma heeft haar gezondheid teruggekregen, al is haar gezicht nog met platen bedekt. We zijn optimist!"
|
André: Ik werkte bij Bonnal. Ik reed met de ossen. Als ik een dag niet ging werken, kwam de schoonzoon Sahuc al vragen waar ik bleef. Zijn dochter, Marie-Jeanne, was toen twintig jaar, denk ik. Marie-Jeanne en haar man Toulza (1984) |
![]() |
![]() |
‘s Middags sliep Bonnal bij zijn beesten, in ne strooie schelft.Daarnaast waren plaatsen om pruimen te drogen. Bonnal had daar wat zitten van kiekens en canards. En konijnekotten!
Maar zijne wijn was niet goed. Juist azijn, zei nonkel Sus.
|
Beaucoup de paysans vivent bien près du bétail. Le domestique de nos fermes a trop souvent encore son lit derrière ou à côté de la litière du cheval, du boeuf ou de la vache. (E. Sol ) |
VRIJDAG 28 JUNI
"Het weer is uitstekend. Van ‘s morgens wemelt het van vlinders in alle kleuren. Als wij terug naar de boer gaan werken, bewonderen wij het onkruid. Honderd en meer verschillende distels, schoon genoeg om in een bloemenperk te zetten, en evenveel slingerplanten.
Zo zijn we op ons werk. Wat praten en wijn drinken, dat is het grote werk hier in de streek. ‘t Wordt stillekes twaalf uur en we zijn ermee klaar. Met een paar dozijn eieren, bonen en zo meer wandelen we naar huis.
Ons ma geneest langzaam maar zeker. Haar gezicht wordt wat ingesmeerd en ik praat wat met haar, want een ganse week alleen boven zitten is niet plezierig. Om de tijd om te krijgen is ze aan ‘t kousen strikken.
De jongens van Nand zijn hier in hun element: de hele dag onbekommerd leven, spelen, de boer wat helpen en achter het vee lopen. André is de held van de dag. Hij praat Frans dat het buldert in de geburen. De boeren benijden natuurlijk zo ne hoop kinderen. Hier is het allemaal koekoek één jong.
Als wij allen zouden samen zijn, dan kwam het op geen maand aan om naar huis te gaan. Want wat gebeurd is, is toch gebeurd. Maar nadenken is stille pijn, zegt men. Ja, dat ondervinden wij het best."
André: Ik was rap weg met de taal. Ik had bij meester Smeets het laatste jaar na de uren extra Frans geleerd. En ik was een jaar in Beringen, ik had al het begin van de spraakkunst gehad.
Vignoles was gene uil. Die stond verbaasd dat wij zo Frans kenden. Ze konden er niet van over dat daar een paar families vluchtelingen aankwamen met snotneuzen die Frans spraken. Wij konden onze plan trekken. Zij verstonden ons. Tegen ons spraken de boer en de boerin Frans, zo goed als ze konden. Onder elkaar spraken ze een verbastering Frans-Spaans. Als de boer tegen de kosterin sprak, verstonden we hier en daar een woord van hun gebrabbel, maar niet veel. Die waren niet gewend echt Frans te spreken. De jongens die tot 13 jaar naar school geweest waren, die konden Frans spreken.
Elise: Fred kon goed met de boer en de beesten om. Als ge die kwijt waart, moest ge hem maar gaan zoeken bij de boerin, bij de koeien of bij het kalfke. Hij kon zo goed in ‘t dialect roepen en vloeken als de boer.
Met Jeanke ben ik veel opgetrokken, daar had ik veel vriendschap van. Hij kon ook goed met Vignoles om. Op ne keer hadden wij daarboven een wandeling gemaakt en we hadden zo ne dorst. We kwamen bij Cazassus op ‘t hof, daar gingen we altijd eieren halen. We vroegen water om te drinken. We kregen dat en toen vroeg ik waar het kindje was. We hadden die madame en hare man, nog tamelijk jonge mensen, een wieg naar boven zien sleuren, een oude wieg, in eikenhout. En die vrouw zei: ‘Il n’est pas encore arrivé.’
Ik, onnozele trien, had niet eens gezien dat ze in verwachting was! En ze was zo zwaar.Voor die vrouw van daarboven heeft ons ma een kleed gemaakt, voor de uitzet genaaid en de wieg helpen garnieren. Ze vroeg nooit geld voor haar werk. Als we maar eten hebben, zei ze, dat is het voornaamste.
ZATERDAG 29 JUNI
"Ons ma die langzaam betert, is ‘s morgens al vroeg te been want een bed is goed om ‘s nachts in te slapen, maar niet om als ziekbed dienst te doen. Het weer is schoon en heet. Wij helpen de boer hooien, iets enigs in zijn soort. De boer met twee ossen of koeien voor zijn machine, maait het gras en wij breken het dooreen. Ja, ‘t is maar ne gewone boer, want de grote boeren hebben een machine om te maaien, een ander om het gras uiteen te werpen, dan een om het gras in rijen op te scharen en tenslotte een om het veld te zuiveren.
Het werk bij onze boer vraagt nog veel handwerk, iets waar wij natuurlijk bij kunnen helpen. Alfred staat voor de koeien en roept zo hard als de boer van ‘Aroeta Blanca’ en van die aardige woorden. Onze Nand steekt het hooi op en de boer laadt de kar. De vrouw en ik moeten zuiver scharen.Na het eten bij de boer maken we onze avondwandeling. ‘t Is geurig van het hooi."
Jean: "Peteren doet bijna elke dag, eens of meermaals, dezelfde ronde. Langs de kosterin naar beneden tot op de steenweg. Vandaar verder tot aan de boer daaronder, vanwaar hij langs Vignoles weerom naar boven komt. Wij ook doen ‘s avonds gewoonlijk deze ronde. Soms wandelen we wat verder de grote baan op of slaan een kleine zijweg in."
Elise: Met Peteren hadden we gene last. Die kwam eten en voor de rest was die op stap. Die heeft daar wat rondgewandeld. Hij was in Bournac graag gezien. Hij sprak met alle mensen. Hij kende zijn Frans nog van zijn legerdienst, hij sprak het beste van ons allemaal. De mensen in Bournac konden niet geloven dat ne man van 82 jaar van zo ver, daar nog aankwam.
ZONDAG 30 JUNI
"Als naar gewoonte is er om 9 uur een mis die door een priester-soldaat gelezen wordt. Ene die kan preken dat men er zou van waterogen. Prachtig. Ge ziet en hoort dat het vaderland hem in ‘t bloed zit..."
Elise: Er was een priester-soldaat die soms de dienst deed en in het Frans preekte. Een paar keren is er een Vlaamse pater gekomen. Die heeft dikwijls biecht gehoord. Die witte pater was n’n echte missionaris, nogal groot en mager. Hij logeerde in de pastorie aan het marktplein in Montaigu. Ik ben daar de eerste keer buiten de biechtstoel te biechten geweest. Ik moest van ons ma ne catechismus gaan vragen, want in de school kregen we gene godsdienst. Wat moest er zonder godsdienstlessen toch geworden van ons Yvonne en de anderen! Maar die pater had natuurlijk gene catechismus bij.
MAANDAG 1 JULI
"Als we ‘s morgens aan tafel zitten, brengt de facteur ne brief van Jules Goovaerts die ons herinnert aan onze dagen in Toulouse. Hij geeft ons moed, schrijft dat ons ma wel goed zal genezen en zo. Ook schrijft hij dat hij geen moeite spaart om Julien en Jean te vinden. Nu hij geen werk meer heeft, is er tijd genoeg en Jules is niet de eerste de beste, dat weten wij. Maar of het zal lukken, dat is wat anders. Het begint ons lang te vallen en als ge al die families ziet met hun jongens, dan denkt ge wel eens na en over ‘t slechtste eerst. Ik zal Jules een flink antwoord sturen en hem bedanken voor zijn moeite.
Weer naar de boer om te helpen hooien en inhalen want er is veel werk in deze tijd. Zo kunnen wij toch de kost rapen en naar huis gaan met ne kook patatten en een fles wijn cadeau. Als we thuiskomen heeft iedereen al geëten."
![]() |
DINSDAG 2 JULI
"Het wordt zo wat een gewoonte een kaart van Jules te krijgen als we aan de koffie zitten, speciaal over het opzoeken van de jongens. Hij denkt dat het hem zal lukken. Onze hoop is nog niet helemaal vervlogen, al duurt het wel wat lang.
Het weer is geurig van al het hooi dat geoogst wordt. Als ge die boeren met hun ouderwets gespan ziet sleuren tegen de bergen op, honderd en meer meters hoog, over steile wegjes met die zware last, dan denkt ge aan de geschiedenis van de Oude Belgen. Ja, iets in die zin moet het geweest zijn.
Vandaag moet onze boer zo maar zes, zeven karren naar boven sleuren terwijl wij ophooien en een fles wijn van twee-enhalve liter leegmaken. Dat is zo een gewoonte geworden. Als wij terug thuis zijn zal het wel verminderen, denk ik."
WOENSDAG 3 JULI
"Wij zijn zo’n halve knechten geworden van de boer. Dat is omdat het zeer druk is. Nu het hooien zo goed als gedaan is, stuurt hij zijn vrouw, Nand en mij de maïs in om te hakken. Da’s weer een heel ander werk. De maïs is een halve meter hoog en de rijen staan ongeveer ne meter van elkaar. In totaal zijn het er 99, zo’n 125 tot 150 meter lang.
Wat een schouwspel. Ja, ja, ‘s morgens om acht uur, het is dan al stikheet, staan we tussen de maïs, barrevoets in de sloffen, op een grond van klei en keien die met een soort ploeg omgewoeld is. Dat doet geen goed met al die distels die er een purper landschap van maken. Wij moeten die distels uitroeien, soms met de handen als ze te dicht bij de planten staan.
Als we elk twee rijen, dus samen zes rijen gedaan hebben, is het halfeen en middag. Nu naar de boerderij voor ne goeie middag, want als de boer werkvolk heeft, is ‘t er kermis. Tot drie uur wordt er goed geëten en gedronken en daarna gerust tot vijf uur, want de zon brandt. Men spreekt van ruim 50 graden. Zonder strooien hoed is het overdag niet om buiten te komen.
Er wordt verteld dat Engeland wapenstilstand gaat sluiten met Duitsland. Als ‘t maar waar is, want de gazetten onder censuur van den Duits zeggen zo maar iets."
Jean: "Onze pa en nonkel Sus gaan bij Vignoles in de maïs werken om die van onkruid te zuiveren, vooral van grote distels. De velden en weiden die niet verzorgd worden, zijn ervan vergeven. Wanneer de distels bloeien, zijn die velden één witte bloesem. Als er dan een hevige wind komt, wordt het zaad meegenomen en zet het zich vast op andere velden. De distel is hier de grootste kwaal van de landbouw.
Ook in de hooi- en oogsttijd worden onze pa en Nonkel Sus gevraagd om bij Vignoles te komen werken. Ze gaan bij verschillende boeren in de omtrek het nodige gerief herstellen, zoals zagen, bijlen, hamers en harken. Daar krijgen ze een goede middag.
Op kleine gehuchten zoals Bournac is ieder mens die daar woont, landbouwer. We vinden daar dan ook niets anders dan boerderijen, uitgezonderd enkele herenhuizen, die nu echter verlaten zijn.
De grond die samengesteld is uit klei en witte kalksteen, is zeer vruchtbaar. Het merendeel van de boeren bemest de grond niet eens voor die omgeploegd wordt. Volgens de boeren zijn de velden in de vallei en die van het bergplateau niet even vruchtbaar. De vruchten die wij bij de boeren van boven gekocht hebben, vonden we toch zeker zo goed als die van beneden."
DONDERDAG 4 JULI
"Het weder verandert wat. ‘t Is bewolkt vandaag. Om negen uur gaan we naar ‘t dorp om geld op te trekken, maar men betaalt maar zeven dagen uit in plaats van veertien.
Er wordt gezegd dat alle Belgen binnenkort naar huis moeten keren. Ja, dan is onze vakantie uit en wat zal ons te wachten staan. Als we maar iets terugvinden van onze haard. En wanneer zal de familie weer samenzijn? Er wordt zoveel verteld door de vluchtelingen die allemaal samenkomen als er geld te trekken is."
VRIJDAG 5 JULI
"Vandaag moeten we nog naar de maïs en ‘t is weer stikkend heet. Nu zijn we met vier, de zoon helpt ook mee. Het is geen goed werk, zeker niet als men gene boer van Zuid-Frankrijk is. Langs de grote weg is het wat beter om te werken. Dagelijks komen er honderden auto’s van het Franse leger voorbij, wagens met kanonnen en zo. In ons dorp is er nu ook een bureel voor gedemobiliseerden. Daardoor komt het dat er zoveel gerij is. Soldaten die komen en gaan, kopen alles op voor ze naar huis gaan en zetten ons zo op droog zaad.
De winkelwaar is krap geworden. Er is geen boter of margarine meer te krijgen, koffie nog 125 gram, suiker bijna niets meer. Brood en vlees is er nog genoeg, maar het smeersel is schaars geworden. We kopen wat fruit om confituur te maken, zodat we ‘s namiddags onze boterhammen kunnen smeren."
Jean: "Rond de tijd van de Franse capitulatie verandert het leven in Montaigu helemaal. Colonnes soldaten trekken voorbij of blijven er een paar dagen liggen. Franse soldaten en burgers die niet in handen van de vijand willen vallen, rijden met camions en in luxe-auto’s naar het zuiden. Velen willen naar Noord-Afrika om daar de strijd voort te zetten. Anderen rijden naar Spanje of trachten Portugal te bereiken om vandaar naar Engeland te vluchten. Ook tanks, pantserauto’s, moto’s en kanonnen van allerlei kaliber trekken voorbij."
ZATERDAG 6 JULI
"Ons ma haar gezicht is bijna genezen, al zijn er hier en daar nog zwarte plekken. Een ding is zeker, het zal helemaal genezen. Nee, hadden we zo naar huis moeten gaan, bedekt met platen zo zwart als de schouw, dat had niet gegaan.
‘s Morgens nog maar eens naar de maïs. Tegen de middag komt de boer vragen of we hem in de namiddag willen helpen. Hij moet het hooi van de kosterin halen en naar zijn schuur brengen. Als we op ons gemak geëten hebben, gaan we er naartoe. Hooi heeft de boer gezegd, het is wel meer onkruid dan wat anders. De man van de kosterin is ook van de partij, maar die is moeilijk te verstaan. Wat voor een taal die man spreekt, weet ik niet en hijzelf misschien ook niet. Als de eerste kar gehaald is, daagt er een onweer op. Ik zeg dat we misschien nat zullen worden. Hij bromt van nee, peut-être ce soir.
Nog geen tien minuten later begint het water te gieten en er is niets om naartoe te vluchten. Onze Nand kruipt onder n’n opper hooi. Mijne maat en ik laten ons zo maar staande doornat worden. Ons hemd is juist zo nat als ons vest. Dat heet regenen. ‘t Is ons eerste nat pak."
ZONDAG 7 JULI
"Wanneer we ‘s morgens opstaan is het regenachtig. Bij zo’n weer begint onze ballingschap ons te vervelen. Als we nog aan tafel zitten, komen de boerinnen met hunne stok al langs de bergpas naar beneden gesukkeld. Om 9 uur is er mis naast ons deur, maar mansvolk ziet ge bijna niet in dat kerkske. ‘t Is weerom de priester-soldaat die de mis leest en predikt.
Ja er is weinig mansvolk in de kerk. Overal, in elk huis voelt men dat er iemand ontbreekt. Dat is te wijten aan de oorlog van 14-18. Als ge ziet hoeveel namen er op het standbeeld van de gesneuvelden staan ‘Mort pour la France’, dan is het niet te verwonderen dat er weinig families zijn waar veel volk woont.
In ons gehucht met 16 huizen hangt in het kerkje ook een plaat aan de muur met de namen van acht gesneuvelden in de Grote Oorlog. En voor deze oorlog is hier al de vierde lijkdienst gehouden.
‘t Is droevig."
|
Bornac, een van de kleinste gemeenten van Frankrijk, werd in 1829 met Montaigu-de-Quercy gefusioneerd. Toen woonden in Bournac ongeveer 200 mensen en stonden er 63 huizen. |
![]() |
![]() |
De achterzijde van een entreekaartje voor ‘La Grande Journée Catholique’ in Montauban op 1 juni 1925 was voor abbé Sirech groot genoeg om er voor Bournac alle doopsels (6) van de jaren 1922-1925 op te noteren.





kopie.jpg)

